28 september 2020

Zilveren Mieke Wilms: ‘We waren bijna niet naar dit WK gegaan’

Zilveren Mieke Wilms: ‘We waren bijna niet naar dit WK gegaan’
De zilveren vrouwendubbelvier met (vlnr): Bente Paulis, Mieke Wilms, Minke Holleboom en Martine van den Boomgaard (foto: Ellen de Monchy).

Bij de wereldkampioenschappen voor roeiers onder de 23 jaar in Poznan behaalde de Nederlandse equipe vier zilveren medailles. NLroei sprak met twee van de succesvolle roeiers, Mieke Wilms (dubbelvier) en Melvin Twellaar (dubbeltwee).

Voor de buitenwacht was de medaille van de dubbelvier opvallend. Driekwart van de boot eindigde vorig jaar op behoorlijke afstand van de winnaar als vijfde en dit seizoen kende het kwartet de nodige opstartproblemen. “Ik ben zelf bijna de hele winter geblesseerd geweest en Martine van den Boomgaard roeide lange tijd in Amerika. Toen we eindelijk samen konden trainen, raakte Bente Paulis geblesseerd aan haar rib. Voorafgaand aan dit toernooi hadden we daardoor nog nooit een wedstrijd samen geroeid. We waren zelfs bijna niet gegaan”, vertelde Mieke Wilms.

Groeien
Desondanks verbaasde het de roeister van Njord niet dat haar ploeg mee kon doen voor het podium. “Op de een of andere manier klikte het meteen. Toen we vorige week weggingen, vertrokken we dan ook echt met het idee om hier een medaille te halen.” Na nipt verlies tegen Groot-Brittannië in de voorwedstrijd werd de herkansing wel gewonnen. “Omdat we nog geen race-ervaring met elkaar hadden, konden we groeien in het toernooi. In de eerste wedstrijd geven we het in het begin teveel weg, dat wilden we ons in de finale niet nog een keer laten gebeuren. We wisten dat we met een optimale race de Britten konden verslaan.”

Nek-aan-nek
Het plan van de Nederlandse vrouwen werkte uitstekend en vrijwel de gehele eerste 1500 meter van de race roeide de ploeg nek-aan-nek met de voormalig wereldkampioen. Roemenië lag vooraan. In de eindsprint nam de boot van Wilms afstand van de Britten. “We wisten dat we nog wat over zouden hebben voor het laatste stuk, dat pakte perfect uit. Zilver was het beste wat we ons konden wensen. De Roemenen waren nu eenmaal duidelijk beter.”

Besef
De medaille van de Groningentwee was meer verwacht. Melvin Twellaar en Luuk Adema roeien al het hele jaar door wereldtijden en in Polen werd zowel de voorwedstrijd als de halve finale gewonnen. Stiekem werd zelfs aan goud gedacht. Dat lukte ondanks een toptijd van 6:14,18 net niet. “We stonden inderdaad aanvankelijk met gemengde gevoelens op het podium. Als je zo dichtbij bent, schiet het natuurlijk door je hoofd hoeveel mooier het zou zijn geweest als we goud hadden. Aan de andere kant was dit vermoedelijk het beste resultaat wat erin zat. Dat besef kreeg ik al snel, Luuk had iets meer tijd nodig”, aldus Twellaar.

Middenstuk
Het duo roeit inmiddels al zo lang met elkaar dat er geen sprake meer was van een goede of een mindere race. “We weten inmiddels hoe we het aan moeten pakken. In Luzern hebben we bijvoorbeeld geëxperimenteerd met een hardere start, maar we kwamen erachter dat we toch het beste konden vertrouwen op een sterke middenstuk. Dat geeft ons rust en dat kwam er in Poznan elke wedstrijd goed uit. Zo zijn we ook de finale ingegaan. We zijn dan wellicht niet het snelste weg, het geeft een positief gevoel als je tijdens de race ploegen inhaalt.”

Momentum
De Groningers wisten zodoende dat de Italianen furieus van start zouden gaan. “Ik had echter na een paar honderd meter al door dat ze niet ver genoeg voorlagen en dat we er uiteindelijk langs zouden gaan.” De Grieken bleken de grootste concurrent, een ploeg waarvan in de voorwedstrijd nog was gewonnen. “Toch hadden we die niet weggestreept. Dat we van ze wonnen had ook te maken dat wij toen het momentum van de eindsprint hadden en zij het lieten schieten. Wij krijgen van onze coach altijd de opdracht te winnen, waarschijnlijk benaderden zij de voorwedstrijd anders.”

Polen
Twellaar en Adema kwamen uiteindelijk een seconde tekort voor goud en moesten nog hard doorroeien om het sterk sprintende Polen van het lijf te houden. “Dat was nog even schrikken. Gelukkig hadden we net genoeg over.”