‘‘Ik ben het enige Hunzelid dat het toenmalige botenhuis heeft zien afbranden’’

Achtergrond

Afgelopen week was het precies 75 jaar geleden dat Groningen werd bevrijd van Duitse bezetters. Na een strijd van drie dagen gaven de Duitse brigades zich over aan de Canadezen. Hunzelid Feico Camphuis herinnert het zich nog al te goed.

”Mijn broer en ik werden ’s ochtends gewekt omdat de gevechten begonnen waren. Mijn kamer was precies recht tegenover het houten botenhuis van De Hunze, dat in brand stond, evenals het botenhuis van Aegir. Ik ben het enige Hunzelid dat het toenmalige botenhuis heeft zien afbranden”, vertelt Camphuis.

Steun NLroei, doe mee aan onze crowdfunding!

”Beide botenhuizen waren door Duitsers in de brand gezet om een beter schootsveld te hebben. Aegir was daarvoor al verboden door de bezetters, hun boten waren grotendeels elders ondergebracht. Tot en met 1944 werd er nog veel geroeid bij De Hunze. Er was weinig te doen in de oorlog, daardoor steeg het ledenaantal.   

Vanaf september 1944 werd het moeilijker. Een deel van het Hunze-botenhuis was door Duitsers gevorderd. In een ander deel waren een aantal boten van Aegir opgeslagen. Daardoor was er weinig ruimte voor Hunzeroeiers. Het bestuur van de Hunze nam geen risico en besloot hun boten te verspreiden: bij een firma in de binnenstad, ergens in een dorp verderop, en bij een biljartfabriek. Maar er was flink pech: de verwoestingen kwamen niet daar waar men ze had verwacht. De boten in het botenhuis en in de binnenstad zijn uiteindelijk allemaal tijdens de bevrijding verbrand.       

Van het Hunze-botenhuis bleef alleen het betonnen vlot waarop het gebouwd was over. Doordat deze zonk had dit weinig schade. Daarop werd later een tijdelijk botenhuis van asbest gebouwd, dat tot de bouw van het nieuwe botenhuis in 1952 zijn dienst gedaan heeft. Na de oorlog kwam De Hunze langzaam weer op gang, maar men deed niet aan ledenwerving. Toen ik zestien was liep ik naar binnen en zei ik – tot ieders verbazing – dat ik wilde roeien. Iemand anders kwam erbij staan en zei: ‘Ja, dat zou eigenlijk wel moeten kunnen.’ Zo werd ik vier jaar na de bevrijding het eerste naoorlogse jeugdlid bij De Hunze.”