Het is een bijzondere maand geweest. Niet alleen is de winter tot op heden opmerkelijk mild en hoeft er over ijsvorming niet te worden geklaagd, maar ook zijn er wat interessante ontwikkelingen geweest, met name op ergometergebied. Traditiegetrouw duikt de hele roeiwereld in december op de roeimachine om wedstrijdjes tegen elkaar te houden en staat het deze periode ook bol van de meetmomenten. Lekker voer voor cijferfetisjisten die vanaf de kant bijhouden wie er in de virtuele wereld allemaal indrukwekkende dingen presteren en wat dat in de wereld van de scorebordjournalistiek allemaal betekent. Ergometers zinken immers.
Nou ja, dat riepen (en roepen) wij Nederlanders in ieder geval vaak en graag. Het gaat er niet om hoeveel gewichten je kunt tillen of wat je voor scores trapt op de ergometer: als je in de boot maar hard gaat. ‘Wij’, zoals Mart Smeets dat zo mooi kan zeggen, verafgo(o)d(d)en de roeitechniek. Druk van begin tot het einde, ranke bewegingen, subtiliteiten. En we staan daar ook internationaal om bekend: die gekke Hollanders kunnen volgens vele buitenlanders een prima potje roeien – esthetisch gezien. Waar iedereen weet dat het er in Amerika vaak om draait wie het hardste kan beuken en een subtiele catch eerder op het honkbalveld voorkomt dan tijdens een roeitraining, zijn wij Nederlanders beroemd om ons raffinement.
Het aantal Nederlandse roei(st)ers dat over een imponerende hoeveelheid PK’s beschikte was daarom jarenlang beperkt. Als een lichte roeier in Nederland onder de 6:15 dook op de ergometer was dat haast een godswonder. Als je bij de vrouwen richting een eindtijd ging van om en nabij de 6:55 behoorde je al tot de absolute top van Nederland. En de zware mannen? Zes plat gold als de norm. Geen wonder dat het NKIR-kampioenschapsrecord van Gerritjan Eggenkamp (5:49,4) ruim tien jaar lang in de boeken kon blijven staan. En ja: in de wandelgangen werd wel eens geschermd met snellere tijden. Dirk Lippits, de Nederlandse skiffeur tijdens de Spelen van 2004, zou een keer 5:45 hebben getrapt. Pepijn Aardewijn en Maarten van der Linden, de zilveren lichte dubbeltwee van Atlanta 1996, zouden beiden goed zijn voor tijden onder 6:10. Maar dat waren welhaast mythes. Onmenselijke prestaties bovendien.
Maar internationaal gezien waren die prestaties helemaal niet zo onwerkelijk. Het was eerder dat de norm in Nederland scheef lag. Over de grens wisten ze wel beter: je kunt nog zo efficiënt zijn in je bootje, als je het vermogen niet hebt om die schuit vooruit te krijgen blijf je gewoon achter. Een auto zonder PK’s hoort soms beter thuis op een fietspad, dat idee. En geef ze eens ongelijk: het wereldrecord bij de vrouwen ligt sinds jaar en dag onder de 6:30. Hoe hoog het testosteronniveau van dergelijke überfrauen ook is: als je daar als Nederlandse vrouw met olympische medaille-ambitie ruim een halve minuut boven zit (en je daarmee tevreden bent), moet je jezelf misschien toch achter je oren krabben. In de wereld van de topsport geldt immers de wet van de sterkste, niet van diegene die over de mooiste roeitechniek beschikt.
Niet dat ergometers en kracht heilig zijn. Het gaat natuurlijk om de balans tussen sterker en efficiënter worden, om beide (soms conflicterende) energiesystemen met elkaar te verenigen. Maar de voorheen overmatige gepredikte focus van Nederlandse roeiers en coaches op efficiëntie in plaats van kracht – het bijna dogmatische beroepen op techniek als de oplossing – was wat overdreven. Gelukkig is ergens in de afgelopen jaren de knop een keer omgegaan in Nederland. De norm is opeens verhoogd. Niet langer is het ‘goed’ dat je als zware roeier zes minuten doet over een twee-kilometertest. Lichte roeiers moeten niet aan komen kakken met 6:22 en verwachten dat ze daarmee de wereldtop wel aankunnen.
Waar die mentaliteitsverandering begonnen is? Misschien bij de (eerste) Holland Vier, die in de queeste richting het olympische goud in Peking de techniek overboord gooide en nadrukkelijk focuste op vermogen. Misschien bij toenmalig TD Koen van Nol, die vermogen een speerpunt maakte van zijn beleid. En misschien ook wel bij de gekke Italiaan Antonio Maurogiovanni, die in Nederland aankwam in 2011, een sterrensalaris betaald kreeg en vervolgens een spartaans trainingsregime bedacht waarmee de equipe over de hele breedte sterker moest worden. De meeste roeiers die onder hem hebben getraind zullen hem nog steeds niet allemaal aanprijzen, maar een ding zullen ze wel zeggen: ze zijn er wel sterker van geworden. Misschien ligt de oorzaak veel eerder, al bij de komst van de Amerikaanse coach Kris Korzeniowski in de jaren ’90. Misschien bij geen van deze individuen, maar gewoon bij ons allemaal: een algemene realisatie dat we sterker moeten worden.
Want dat sterker zijn is een groot goed. Opeens kunnen wij Nederlanders ons meten met de wereldtop als het op vermogen aankomt. Roel Braas en Stef Broenink sprinten opeens samen richting tijden die we nooit voor mogelijk hadden gehouden tijdens een NKIR. Tijden die normaliter enkel over de grens (of in de Nederlandse mythen en sagen) werden genoteerd. En belangrijker nog: er zijn meer van dat soort signalen dat Nederland aan het opkrabbelen is. Neem Laila Youssifou, die als zeventienjarige ‘gewoon’ even naar 6:55 roeit. Of de eerstejaars lichte achten die inmiddels tijden van rond de 6:50 op de klokken zetten tijdens hun twee kilometer.
Nederland is de afgelopen jaren (opeens) een ergometerland geworden. De bevestiging daarvoor ligt in de steeds sneller opschuivende normen. Maar ook in het feit dat Roel Braas en Tycho Muda deze maand een officieus wereldrecord noteerden tijdens een dertien-in-een-dozijn meetmoment. Een zes kilometer-test. Roel Braas kwam tot 18:26,3 (het WR staat op dit moment op 18:35,4. En Tycho Muda? Die ging met 19:34,4 ‘eventjes’ voorbij aan de 19:40,4 van Mads Rasmussen, de olympisch kampioen van 2012. Goed, die 6 kilometer is een redelijk incourante afstand geworden de laatste paar jaren en het aantal ergometer-wereldrecords rijst de pan uit, maar toch. We doen mee. En dat is, hoe weinig je ook op hebt met de cijfers en feiten die uit een roeimachine komen rollen, een stap vooruit ten opzichte van het verleden.




