Terwijl de zon langzaam wegzakt over Breda fluit Jaap Klootwijk nog één keer hard over het kazerneterrein om zijn hond terug te roepen. Het schelle geluid draagt ver – over het verlaten voetbalveld, de stormbaan en langs de huisvesting die doet denken aan lang vervlogen tijden. Jaren waarin de Koninklijke Militaire Academie nog bruiste en het veld op een mooie lenteavond als vandaag vol had gestaan. Jaren waarin Dudok van Heel nog wat voorstelde in roeiend Nederland en niet vocht voor overleving. Maar de tijden zijn veranderd. Het veld is leeg; binnen zitten twee verdwaalde cadetten in de fitnessruimte. Het rood-wit-blauw van de botenloodsen is inmiddels verschoten en afgebladderd. Vergane glorie.
“We mogen het niet opnieuw verven”, zegt Klootwijk terwijl hij vol onbegrip zijn schouders ophaalt. “We zijn beschermd stadsgezicht. We willen heel graag, maar het wordt ons niet makkelijk gemaakt.” En dat terwijl Dudok graag wil groeien en ook kán groeien. Dit jaar lag er voor het eerst in de geschiedenis van de vereniging een dames acht op het water tijdens de Head of the River. In het clubachtenveld voeren de Dudok-roeisters verdienstelijk naar een plekje in de middenmoot. Aan het materiaal zal het ook niet liggen: in de loods liggen prima boten, mede mogelijk gemaakt door het budget dat de KMA ter beschikking heeft. Een van de pronkstukken is de Empacher waarmee de Holland Acht in 2012 de olympische finale mee roeide.
Klootwijk klopt met een brede glimlach op zijn gezicht op de gele boot waar de stickers van de Olympische Spelen van Londen nog opgeplakt zitten. Hij, als bootsman van Dudok, is maar wat trots op de nieuwste aanwinst en praat honderduit over het speciale roertje, welke fondsen hij heeft aangeboord en hoe hij brutaal contact opnam met Albert Steenman, de man die de boot had aangeschaft vlak voor de Spelen. Klootwijk is sowieso een praatgrage oud-militair. Een roeier bovendien, in hart en nieren. Zet dat bij elkaar en je hebt iemand te pakken die moeiteloos je avond vult met mooie anekdotes zijn tijd in de Balkan én roei-avonturen in Amerika – over een bezoek aan de gouden Holland Acht, die in Princeton trainden voorafgaand aan de Spelen van Atlanta.
Maar het jaar 1996 staat niet alleen symbool voor mooie anekdotes. Het is ook het jaar dat Klootwijk terugkwam van zijn verblijf in Amerika en in Breda een op sterven na dode roeivereniging aantrof. Dudok van Heel, waar hij ooit als trots lid had rondgelopen, was diep weggezakt. “Door het afschaffen van de dienstplicht was het aantal cadetten enorm afgenomen”, vertelt Klootwijk. “En degenen die naar Breda kwamen voor de KMA voelden niks voor het roeien. Ik heb uiteindelijk vier jaar geleden, toen er nog maar vier studenten op Dudok rondliepen, een aantal oud-leden benaderd met de vraag of ze zich weer voor de vereniging wilden en konden inzetten.”
Twee van die oud-leden zijn Martin van Vianen en Theo Levöleger. Zij zitten ook in de bescheiden koffieruimte van Dudok van Heel en beamen een voor een het verhaal van Klootwijk. Het was weinig soeps in 2009. Inmiddels is er weer wat opgebouwd, mede dankzij de inspanningen van Levöleger en Van Vianen als begeisterde coaches op de kant en de invloed die Van Vianen heeft op de leiding van de KMA. Tot grote vreugde van de cadetten zelf deelden ze afgelopen najaar een tik uit aan Sandhurst, het Britse militaire instituut waar ook Prince William en Prince Harry hun opleiding tot officier voltooiden. Voor het eerst sinds 2002 roeide Dudok sneller dan Sandhurst tijdens de Head of the River Fours – en dat terwijl de Bredase cadetten in een vier-met voeren en hun Engelse tegenstanders in de vier-zonder.
Het is een avond van mooie en sterke verhalen. Met name Klootwijk is op dreef. Hij vertelt met een grote glimlach op zijn gezicht over commandanten die vroeger een oogje dichtknepen voor de roeiers. Appèl? Daar hoefden de leden van Dudok van Heel natuurlijk niet aan mee te doen – zij moesten hard trainen en overwinningen behalen. Topcoaches waren er genoeg: als je kon kiezen tussen je militaire dienst uitzitten met je neus in de modder, of met een coachtoeter aan je mond dan wist men het wel. Geen gebrek aan goede begeleiding in die gloriejaren.
Terwijl Klootwijk vertelt over vroeger zitten drie studenten van nu stil te luisteren. Sandor de Wit, Irene Stappaerts en Jasmijn Goedhart kennen de tijden niet toen Dudok nog voorin meedeed. De wedstrijdsuccessen zijn voor hen op één hand te tellen. Voor hen is het altijd al een worsteling geweest om de vele verplichtingen van het KMA – van bivak tot cadettencorps – te combineren met wedstrijdroeien. Vooral De Wit zit er wat stilletjes bij; hij miste de Varsity doordat hij tijdens een bivak zijn enkel verzwikte. Dat wedstrijdroeien en de KMA niet zomaar samengaan werd voor hem letterlijk op pijnlijke wijze duidelijk. De Wit, Stappaerts en Goedhart proberen als bestuursleden de vereniging met behulp van de oude garde weer nieuw leven in te blazen. Goedhart is daarbij de vreemde eend in de bijt: ze zit niet op de KMA, maar studeert aan de Avans Hogeschool in Breda. Bij uitzondering mag ze hier rondlopen – de kazerne is en blijft militair terrein – maar volgens Klootwijk, Van Vianen en Levöleger is ze de toekomst van Dudok. De vereniging moet zich volgens de veteranen openstellen voor de hogeschoolstudenten.
“Vergelijk het aantal inschrijvingen van de Hogeschool met die van de KMA”, legt Van Vianen uit. “Hier hebben ze een lichting van 100 man, 120 als het meezit. Bij Avans komen 4.000 studenten binnen. Dat is een enorme doelgroep die je nu misloopt. Dat de Koninklijke Militaire Academie nu officieel te boek staat als universiteit heeft geholpen in de manier waarop studenten naar de opleiding kijken, maar het zal altijd een beperkte groep blijven nu de dienstplicht er niet meer is. Dus ik zeg: stel jezelf open voor die studenten en laat hen Dudok weer tot leven brengen.”
Maar de cadetten van nu zien die plannen niet zo zitten. Het is in zekere zin de wereld op zijn kop: vaak zijn het juist oud-leden die vooruitgang remmen binnen een vereniging. Zo was Laga eind jaren ’90 mede door de starre houding van Oud-Laga op sterven na dood omdat de vereniging zich niet open kon cq. mocht stellen voor niet-corpsleden. Bij Dudok is het juist de jongere generatie die afwachtend is. De Wit erkent de spagaat: hij wil graag dat Dudok groter wordt, dat er meer leden rondlopen en dat het oranje van zijn vereniging niet alleen op de Varsity te bewonderen is. Maar tegelijkertijd speelt het cadettencorps nu eenmaal een grote rol in de historie van de vereniging – iets wat hij en zijn mede-bestuurslid Stappaerts niet zomaar overboord willen gooien.
Het is een situatie die druipt van de ironie. Om terug te keren naar de glorietijden van weleer moet juist het verleden rigoureus worden losgelaten. Een tussenweg is er niet – dan sukkelt Dudok van Heel verder en is de kans groot dat de vereniging op een goed moment écht ten onder gaat. De Wit en Stappaerts weten het, maar ze durven de impasse nog niet te doorbreken. En dus bladdert de loods verder af, zakt de zon verder weg over de Bredase binnenstad en de Mark, en blijven de boten wachten in de loods. Wachten op het moment tot de essentie van Dudok van Heel is achterhaald: is dat de kadet, of de roeier?



