De herfst is de periode van de najaarsklassiekers, maar het is ook de tijd van de afroeiers. Eerstejaars studenten die kennismaken met de roeisport en er toe bewogen moeten worden om te kiezen voor wedstrijdroeien en serieuze sportbeoefening in plaats van voor drinken, roken en af en toe een beetje peddelen. Het is een tijd van competitie, in onderlinge wedstrijdjes. De Asopos Najaarswedstrijden, waarbij het gros van de Nederlandse studentenroeiverenigingen de houten C4-en weer op de botenwagen gooit, is een van de grootste afroeiwedstrijden. Maar het is niet enige, er zijn legio meetmomenten. En één van de beruchtste is helaas verdwenen: de NSLA.
Njord, Skadi, Laga en Aegir. Sinds 1978 kwamen deze vier corporale verenigingen in de late herfst bijeen om uit te maken wie de beste lichting eerstejaars roeiers had. Het evenement kreeg op Njord de naam NSLA, want in een serie afkortingen geldt immers ook anciënniteit, waarbij voornamelijk de beginletter belangrijk was. Bij de andere drie verenigingen stond het bekend als de LANS, want dat bekte nu eenmaal lekkerder. Altijd werd er verzameld in Leiden, bij de oudste van de vier. Wedstrijdjes op het lokale Galgewater, boord aan boord 350 meter sprinten in logge houten bouten om uit te maken wie door mocht naar de volgende ronde. Echt professioneel geschiedde dat niet: oplijnen was er niet bij, en een valse start – als altijd de Lagaai – werd geregeld door de vingers gezien.
Het belangrijkste onderdeel van de dag was dan ook niet het roeien. Het ging tijdens deze mini-Varsity veel meer om het corporale kantgebeuren. Het stelen van elkaars vlaggen, het sleuren aan elkaars jasjes en het belangrijkste van de dag: het kipzooien. Rond een uur of vijf ’s middags knoopte de materiaalcommissaris van Njord een diepvrieskip, ingesmeerd met de glibberigste goedjes, aan het plafond van de borrelzaal. De vereniging die deze bevroren vogel naar beneden kon krijgen – op welke manier dan ook – zou volgens de overlevering de Varsity moeten winnen. Was er in Leiden in de jaren dat het evenement werd georganiseerd een Partij voor de Dieren actief geweest, dan was er ongetwijfeld ingegrepen vanuit de politiek – ook al vindt de kip zijn oorsprong in de verheerlijking van de vrouw. Vroeger draaide het immers om wie het Leidse kippetje, een wulpse schone, wist te veroveren.
Het kipzooien was vergelijkbaar met een rugbywedstrijd. Een golvende mensenmassa, heen en weer vliegende personen die proberen aan de kip te blijven hangen, en vegende scrums om tactische zaalposities veilig te stellen. Het klinkt gewelddadig – en dat was het ondanks de ludieke opzet ook zeker. Meedoen was geenszins zonder gevaar: kneuzingen waren bijna gegarandeerd, hersenschuddingen kwamen ook voor, en eenmaal kwam een roeier zelfs zodanig verkeerd terecht dat hij een nekwervel verschoof. Maar dat namen de mannen – en sommige vrouwen – voor lief. Het was echter ook dit gevaar dat steeds meer discussies op gang bracht bij met name Njord: moeten we hier nog wel mee doorgaan? En moeten verenigingen niet allemaal garantiecontracten tekenen en instaan voor (persoonlijke) schades?
Van relatief ongedwongen, goedmoedige braspartij werd de NSLA daarom langzaam maar zeker een angstige, gereguleerde ontmoeting tussen vier verenigingen. Wat het einde sneller naderbij bracht was de nieuwbouw op Njord. Een dure renovatie in 2006 had een gebouw opgeleverd dat de komende decennia door moest komen. En daar paste noch een diepvrieskip bij die van het plafond diende te worden getrokken, noch een rollebollende meute die door het gebouw trok. Een andere locatie waar de boel wel kapot mocht? Dat deed geen recht aan de bijna dertig jaar oude traditie. En alleen roeien vonden de vier verenigingen niet interessant genoeg. Elkaar bestrijden op het water kon altijd nog, het ging toch vooral om dat bijzondere fenomeen in de Zwanenzaal met in de hoofdrol een ijskoud stuk pluimvee.
En zo stierf de wedstrijd een stille dood. De NSLA was vanzelfsprekend een gek, misschien zelfs bevreemdend corporaal evenement, maar tegelijkertijd was het zodanig geliefd dat het de banden tussen de vier verenigingen versterkte. Hoewel het meer voor eerstejaars bedoeld was konden oudere leden het vaak toch niet laten om van de sfeer te gaan proeven – en aan de kip te gaan hangen. Aegir-roeiers oefenden in de lange treinrit naar Leiden alvast liedjes over het rivaliserende rood-wit van Laga, maar dronken er daarna toch bier mee. Skadi was altijd die kanoclub, want kwam nooit met genoeg leden, maar werd toch jaarlijks uitgenodigd. En Njord, de trotse thuisvereniging, hoopte aan de hand van die diepvrieskip weer eens met recht te kunnen beweren de Varsity te gaan winnen. Dit bijgeloof, de bijzondere charme en de uniciteit van de NSLA zijn echter verloren gegaan. En de kans is klein dat het gevecht om de bevroren Leidse kip ooit terugkeert, in welke vorm dan ook.
Specials
Deel 1: U8+




