Boudewijn van Opstal zit inmiddels alweer bijna een jaar in Indonesië. De oud-coach van Orca, Skøll en Phocas vertrok destijds om als opvolger van Diederik de Boorder, die daarvoor de scepter zwaaide binnen het Indonesische roeien, de Olympische Spelen te bereiken. Die missie mislukte, op een haar na. Maar Van Opstal is volgens eigen zeggen nog niet klaar aan de andere kant van de wereld. In het tweede deel van een special over Nederlandse coaches in het buitenland draait het om de vanzelfsprekendheid van het roeien. “Ik heb een heleboel voor de hand liggende zaken los moeten laten om Indonesië te doorgronden,” vertelt Van Opstal.
De verhalen over het roeien in Indonesië zijn niet nieuw. Diederik de Boorder kon er altijd al begeisterd over vertellen. Over idyllische bergmeertjes, slangen, hoosbuien, blubberwegen en techniek die, in onvervalst deboorderiaans, ‘labberdekak’ was. Ook Van Opstal zit vol met dat soort verhalen. Het mooiste relaas is wel dat over een groot fysiek roeiltalent dat hij letterlijk midden in de Molukse jungle opduikelde. “Zeventien jaar, twee meter lang en 85 kilo zwaar,” vertelt Van Opstal. “Hij was speciaal voor de talenttesten uit zijn dorp vertrokken en na twee dagen aangekomen in Ambon-stad. Testen was nog niet zo makkelijk, hij had nog nooit van zijn leven hardloopschoenen aan gehad. Maar nu traint hij vrolijk mee op een bergmeer bij Bandung.”
Het roeien in Indonesië is met andere woorden een totaal andere wereld dan in Nederland. Waar Nederlandse roeiers en roeisters de sport meestentijds beschouwen als iets erbij, is het in Indonesië big business. “De hoeveelheid geld die in Indonesië rondgaat in het roeien is het meervoudige van dat wat beschikbaar is in Nederland”, legt Van Opstal uit. “Het salaris dat de roeiers van het nationale team per maand verdienen – tussen de € 100,- en € 500,- euro per maand – valt nog mee, maar bedenk dat er bijna elk jaar minimaal één groot toernooi is. Dan hebben we het over de Asian Games, de Southeast Asian games of het NK roeien. Op die wedstrijden ligt het prijzengeld tussen de € 8.000,- en de € 30.000,- per gouden medaille per roeier.”
Tel daarbij op dat het leven in Indonesië een stuk goedkoper is dan in Nederland en je begrijpt waar Van Opstal op doelt. Geen wonder dat er onderling wat handjeklap gedaan wordt om iedereen een belegde boterham te bezorgen. Maak als coaches een paar goede onderlinge afspraken en je bent er van verzekerd dat niemand tegen elkaar start en zo een medaille – en de bijbehorende geldbonus – in zijn zak kan steken. Van Opstal kan niet anders dan zijn schouder er over ophalen. Het is nu eenmaal zo, hoor je hem denken. Maar tegelijkertijd baalt hij stiekem een beetje. Het is immers de vraag of het gestrooi met medailles en beloningen wel een positief effect heeft op het roeien. Wie niet hard hoeft te werken is al gauw snel moe, zoekt een palmboom op om tegenaan te leunen en dommelt lekker in slaap.
Dat is in zekere zin ook het beeld dat Van Opstal tegenkomt. “Als je Indonesische roeiers geen duidelijke opdrachten geeft, zitten ze lekker in hurkzit te kijken hoe het gras groeit. Maar als je ze precies vertelt hoe ze bepaalde zaken moeten aanpakken dan volgen ze die instructies zonder tegen te stribbelen. Het Nederlandse weerwoord bestaat hier niet. Er wordt in Indonesië niet meegedacht over hygiëne, behandeling van je materiaal, voeding en ga zo maar door.” Maar zodra je die leidraden duidelijk maakt, zodra je een kader schept waarin de roeiers moeten bewegen, dan luisteren ze daar ook naar. Twintig kilometer skiffen is twintig kilometer skiffen – mits dat verteld is.
“Roeier zijn is hier ook geen keuze,” gaat Van Opstal verder. “Je bent gewoon roeier. Punt. Er is hier geen enkele noodzaak om naast je bestaan als topsporter ook een sociaal leven, een artsopleiding, baantje of vrije tijd te hebben Vrienden en familie? Die zijn van ondergeschikt belang. Hoe anders dan in Nederland. Naast de intrinsieke motivatie om alles uit het roeien te halen, kent de Nederlandse roeier ook een grote intrinsieke weerstand: motivatiegesprekken, trainingen overslaan vanwege studiestress, gebroken harten, het thuisfront dat aandacht wil en de aantrekkingskracht van feestjes en bier. Maar tegelijkertijd wil iedereen wel in vier jaar een olympische medaille om zijn nek, en geen studievertraging als het even kan. Je vraagt je op zo’n moment af hoeveel roeiers in Nederland nu echt gecommitteerd zijn aan een leven van roeien? Mensen die net als Maarten van der Weijden hun relatie onderbreken omdat ze olympisch kampioen willen worden? In Nederland vinden we dat soort dingen abnormaal. Hier gelden die ‘regels’ minder.”
Het is een welhaast filosofische kwestie: hoeveel ben je bereid op te geven voor je droom? En als iemand dan antwoordt ‘alles’, is dat dan ook echt ‘alles’? Of blijft het dan relatief? Zijn we niet stiekem een beetje verwend hier? Het lijkt er een klein beetje op. De Molukse jongen van zeventien die door Van Opstal werd gescout liet huis en haard achter voor een kans ontdekt te worden. Hij klom daarna voor het eerst in een vliegtuig, kreeg voor het eerst iets anders te eten dan rijst en vis en ging op Java voor het eerst naar de bioscoop – naar de gekuiste versie van James Bond welteverstaan. “Roeien brengt deze jongen zoveel meer dan de mooiste sport die er bestaat”, besluit Van Opstal. Een nieuwe wereld; een wereld die voor ons vanzelfsprekend is, terwijl die dat misschien helemaal niet zo zou moeten zijn. Een wereld waar Van Opstal voorlopig nog wel even in blijft hangen.





