Na eerder de zware mannen en vrouwen te hebben behandeld, volgt nu het sluitstuk van het drieluik ‘hoe verder na de teleurstellend verlopen Wereldkampioenschappen in eigen land?’ De lichte mannen presteerden in tegenstelling tot de rest van de equipe (en ook ten opzichte van eerder dit seizoen) wel sterk op de Bosbaan. Maar ook daar zal niet ontkomen worden aan gevoelige beslissingen.
De prestaties in de olympische boten waren in de lichte sectie uitstekend met tweemaal een finaleplaats van de dubbeltwee (Muda’s) en de vier-zonder. Kanttekening is wel dat beide ploegen in de finale vanaf haal een geen enkele rol van betekenis konden spelen. Iets wat we gemakshalve gelukkig ook kunnen wijten aan baannadeel. Maar de twee zesde plaatsen brengen meteen ook een luxeprobleem met zich mee. Moet je van twee boten die beide zeer aardig meekomen maar nog verre van in de buurt van de medailles zijn niet beter een sterke ploeg maken? De ervaring leert dat in een competitief veld als de lichte mannen het bijna ondoenlijk is twee sterke olympische boten te formeren. Alleen Denemarken en sporadisch Groot-Brittannië zijn hier in het verleden in geslaagd. En laten we wel zijn, we moeten alweer terug naar 1996 (zilver voor Pepijn Aardewijn en Maarten van der Linden) voor überhaupt de enige olympische medaille voor lichte mannen in Nederland ooit.
Het is een vaststelling die vermoedelijk niet goed valt bij een aantal roeiers. De Muda’s hebben er geen geheim van gemaakt een gezamenlijk doel na te streven en in de dubbeltwee te schitteren bij de Spelen van Rio de Janeiro. En bij Tim Heijbrock zit nog wat onverwerkt zeer over de aanloopperiode richting Londen 2012. De samenwerking met de Amsterdamse tweeling verliep toen zeer moeizaam en er zal meer dan een enkel groepsgesprek aan te pas moeten komen om de roeier van Willem III over te halen weer met de Muda’s in de boot te stappen. Het zijn begrijpelijke redenen om een hereniging zo lang mogelijk uit te stellen.
De andere kant van het verhaal is dat langer wachten de nodige risico’s met zich brengt. Er gaat kostbare trainingstijd verloren en ook is het handig als er enige race-ervaring wordt opgedaan. Daarnaast is het van essentieel belang dat er volgend jaar bij de Wereldkampioenschappen in Aiguebelette in elk geval een boot zich kwalificeert voor de Spelen, zeker nu ook de eisen van het NOC*NSF zijn verscherpt. Van afgelopen WK hebben we juist geleerd dat je maar beter niet kan rekenen op een eenmalige uitschieter.
Bovenstaande redenen pleiten er eigenlijk voor om niet langer te wachten en het gesprek met de roeiers aan te gaan om een sterke lichte vier te formeren. Bij deze stelling gaan we overigens gemakshalve vanuit dat de Muda’s sowieso een versterking van de vier zullen zijn. Dat hebben prestaties in het verleden wel aangetoond. Enige manier om nog onder een nieuwe hereniging uit te komen is het stellen van duidelijke limieten waar komend jaar aan moet worden voldaan. Worden die niet gehaald dan is het over met de pret. In 2003 verliep dit vrij succesvol met de lichte dubbeltwee van Ivo Snijders en Gerard van der Linden die later dat seizoen met Joeri de Groot en Karel Dormans zilver wonnen bij het WK in Milaan. Voor de Muda’s zou het behalen van een medaille bij aankomend EK dan de doelstelling moeten zijn of in elk geval een plaats bij de top-4 (de LM2x is grotendeels een Europese aangelegenheid). In plaats van steeds maar racen om een finaleplek moeten ze dan laten zien dat kwalificatie voor de Spelen later bij het WK geen probleem zal zijn. Voordeel van dit scenario is dat de twee roeiers hun toekomst dan in elk geval in eigen hand hebben.
Maar er zijn ook nog andere scenario’s mogelijk. Een van de sterke peilers van het lichte mannen roeien in Nederland is de talentontwikkeling in de breedte. Bijna elk jaar valt er wel een goede lichte acht te maken (dat dit niet altijd gebeurt is wat anders) en naast die acht roeide er dit WK ook nog een twee-zonder (Tim Weerkamp en Ivo de Graaf) die eerder dit seizoen al een medaille had gewonnen bij het EK. Ook was er een jonge dubbelvier die een knappe finaleplek behaalde op de Bosbaan. Twee van hen, Conno Kuyt en Bart Lukkes, hebben dit jaar niet tegen de Muda’s gevaren, maar maakten in de dubbeltwee wel indruk met een zilveren medaille bij het WK onder 23 jaar in Varese. Ze zaten daar maar net achter een ploeg (Duitsland) waar de Muda’s het hele jaar mee stuivertje wisselden. Een verfrissend idee zou kunnen zijn om een van de Muda’s te laten testen met een van deze jongens (of met Daan Klomp die in het voorjaar indruk maakte in de skiff) en de andere Muda naar de vier-zonder te laten gaan. Daarmee zouden ook de vele ruzies en woordenwisselingen waar ploeggenoten zich voorheen flink aan ergerden, tot het verleden behoren. Bij de roeiers van De Amstel zal deze gedachte zeker niet met gejuich ontvangen worden, maar een interessante gedachte is het wel.
Relevante vraag bij dit alles is ook de opstelling van bondscoach Jeroen Spaans. Hij coachte dit WK beide lichte boten maar heeft het mede dankzij de Muda’s tot bondscoach geschopt. Hun gezamenlijke verleden voert al terug tot 2007 toen Spaans als ploegcoach verbonden werd met de lichte vier-zonder bij het WK onder 23 jaar waar naast de Muda’s nota bene ook Joris Pijs (en Joeri Bruschinski), die nu ook in de vier zit, deel van uitmaakte. Kan hij de lastige beslissing maken om de dubbel op te heffen of de tweeling uit elkaar te halen? Uiteraard kan hoofdcoach Mark Emke hier de helpende hand bieden.




