Goed nieuws voor de studerende toproeiers: een flink aantal universiteiten en hogescholen heeft namelijk samen met NOC*NSF een actieplan ondertekend om topsport aan de onderwijsinstellingen beter te faciliteren. Wie er precies aan het programma meedoen is gek genoeg niet bekendgemaakt door de nationale sportkoepel, maar een klein rondje langs een aantal instellingen leert dat in ieder geval de UvA, de Hogeschool van Amsterdam, de Hogeschool Utrecht, Wageningen Universiteit, de TU Eindhoven, Universiteit Tilburg en de TU Delft hun krabbel hebben gezet.
Het actieplan heeft volgens NOC*NSF drie doelstellingen: topsporters moeten een studie kunnen doen in een richting die past bij hun interesses en competenties (1); topsporters moeten in staat worden gesteld om, binnen redelijke grenzen, een flexibel onderwijsaanbod te kunnen volgen zodat rekening wordt gehouden met wedstrijden en trainingskampen in het buitenland (2); en het beoefenen van sport op het hoogste niveau zou voor topsporters geen disproportionele kosten met zich mee moeten brengen op het gebied van sport en studie. Belangrijk punt is bovendien dat ook de sporters die na jaren van proberen de top net niet bereiken ook middels het actieplan moeten worden geholpen.
In totaal hebben tien universiteiten en elf hogescholen het actieplan ondertekend. Veel Nederlandse onderwijsinstellingen houden al rekening met topsporters, maar ervaring leert dat er per faculteit of per docent anders gereageerd wordt op de wensen en verzoeken van topsportende studenten. “Mijn ervaring was dat de UvA nooit enige flexibiliteit heeft getoond”, stelt een kritische Robert Lücken. “Maar het verschilde erg per studie: bij wijsbegeerte was het een stuk beter dan bij geschiedenis. Of dit actieplan dat gaat verbeteren moeten we afwachten. Ik studeer nu niet, maar ik zou zeggen: eerst zien, dan geloven.”
Ook Lisa Scheenaard, roeister van Thêta en studente aan de technische universiteit in Eindhoven, weet nog niet of het actieplan veel voor haar gaat veranderen. “Ik moet alles vooralsnog gewoon zelf regelen. Als master-studente gaat dat gelukkig een stuk makkelijker dan tijdens mijn bachelor, maar het wordt natuurlijk niet een gespreid bedje nu. Uiteindelijk zijn het de docenten die mee moeten werken. De rector magnificus vindt ook dat alles mogelijk moet zijn en ik kan hem zelfs mailen als ik iets niet geregeld krijg, maar hij geeft niet de punten en hij verzint ook de deadlines niet.”
Zolang er sprake blijft van mooie woorden en weinig daden zijn de Nederlandse toproeiers dus nog wat sceptisch. Overigens valt op dat tot nog toe alleen universiteiten en hogescholen zich achter het actieplan hebben geschaard. MBO-studenten komen op dit moment nog van de koude kermis thuis. In de ietwat elitaire roeiwereld is dat wellicht een relatief klein probleem – het merendeel van de roeiende studenten volgt wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijs – maar gezien de ambities van de roeibond om de sport te verbreden zou het misschien toch fijn zijn als ook MBO-instellingen hun handtekening zouden zetten. En als ze dan ook, net als de hogescholen en universiteiten, pro-actief flexibiliteit bieden aan topsporters zou dat helemaal mooi zijn.


