Nog een kleine drie weken en dan is het zover: dan vertrekt Pampus-roeier Niki van Sprang naar Amerika. Vier jaar lang gaat hij studeren aan de Universiteit van Californië in Berkeley. Of misschien beter gezegd: vier jaar lang gaat hij roeien onder de auspiciën van topcoach Mike Teti. De 19-jarige roeier hoopt daar, waar hij zich zal moeten aanpassen aan het strikte regime van Teti, de nodige stappen te kunnen maken zodat hij in aanmerking kan komen voor Rio de Janeiro. “Ik heb dat denk ik wel nodig,” legt van Sprang uit. “Tot nog toe deed ik het lekker zoals ik het leuk vond en dat ging altijd wel goed, maar ik denk dat ik verder kom als ik me wat moet aanpassen.”
Van Sprang is de volgende in een lange rij met Nederlandse roeiers, voornamelijk oud-junioren, die naar Amerika vertrekken. Olivier Siegelaar en Meindert Klem zijn de bekendsten in het rijtje. Maar ook Inge Janssen (University of Virginia) is een goed voorbeeld van een roeister die mede dankzij een studiebeurs een jaartje rondpeddelde aan de andere kant van de plas. Nederlandse atleten zijn hot. Ze zijn lang, technisch onderlegd en hebben ook de nodige power. Ze moeten alleen nog wat gekneed worden in hun mentale weerbaarheid; de Amerikaanse mentaliteit waar geen berg te hoog is en geen brug te ver. Maar de potentie is er. Geen wonder dat Nederlandse tieners op wedstrijden als het Junioren WK gescout worden door afvaardigingen van grote Amerikaanse universiteiten.
En komen die scouts niet naar het Junioren WK, dan gaan ze wel een kijkje nemen bij de Ergohead. De Ergohead? Ja, u leest het goed. In 2011 liep er plotseling een coach van Northeastern University – een van de vele opleidingsinstituten in Boston, Massachussetts en de alma mater van lichte olympiër Marshall Godschalk – rond op deze relatief bescheiden indoorwedstrijd. Na zijn gewonnen race werd Spaarne-roeier Job Heidweiller op zijn schouders getikt en kreeg hij een uitnodiging om naar Boston te komen. Zo gezegd, zo gedaan. Heidweiller vertrok naar de Amerikaanse oostkust en trainde met een volledige beurs mee in de freshmen eight van Northeastern. Maar het Amerikaanse avontuur pakte echter anders uit dan de roeier uit Heemstede vooraf had gedacht.
“Toen ik daar aankwam bleek dat de coach dacht dat ik vier jaar zou blijven,” vertelt Heidweiller desgevraagd. “Maar ik beschouwde het echt als een mooie ervaring voor één jaar, zoals Ilse Paulis dat tegelijkertijd met mij ook deed in Ohio. Northeastern was daar niet zo blij mee. Het normale traject voor een eerstejaars mannelijke student in namelijk de freshmen eight, en daarna roei je drie jaar in de varsity eight. Bij vrouwen kan je gelijk als eerstejaars varsity roeien. Mijn komst was dus een investering op de lange termijn terwijl ik dat nooit zo begrepen heb. Toen ik steeds duidelijker te kennen gaf dat ik niet vier jaar wilde blijven werd ik onder druk gezet. Ik mocht niet mee op trainingskamp, dat soort dingen. Ze begrepen simpelweg niet dat ik maar een jaar wilde blijven.”
Heidweiller maakte het jaar in Boston niet af. Hij keerde een illusie armer terug naar huis en roeide voor de lol zijn wedstrijdjes op de Nederlandse wateren. Een avontuur in Amerika hoeft met andere woorden dus lang niet altijd goed te gaan. Dat weet ook Van Sprang, die zich wel liet inspireren door Heidweiller, maar niet in dezelfde valkuilen wil stappen. Voor de 19-jarige inwoner van Almere is studie van een minstens even grote prioriteit als het roeien. Hij committeert zich bewust aan vier jaar blokken in San Francisco. Maar het helpt natuurlijk als je op roeigebied overtuigd raakt van je keuze. “Ik heb de University of California begin dit jaar benaderd en binnen een paar dagen kreeg ik een antwoord: of ik op hun kosten even naar San Francisco wilde komen,” lacht Van Sprang. “Toen heb ik een weekend in een coachbootje gezeten met Mike Teti en daarna was ik verkocht. Harvard kwam later ook nog aankloppen, maar daar had ik een minder goed gevoel bij.”
En zo gaat Van Sprang dus Olivier Siegelaar achterna. Tegelijkertijd weet eerstgenoemde dat hij het in de golden state verre van gemakkelijk zal krijgen. De concurrentie is moordend. Hij mag dan wel een aantal bijzondere ergometerrecords op zijn naam hebben staan, op sprintgebied legt hij het volgens eigen zeggen af tegen zijn toekomstige bootgenoten. “Die jongens die trappen echt een stuk harder dan ik. Ik kreeg een paar scores te zien van korte afstandjes in laag tempo en daar kan ik echt niet aan tippen. Ik zal echt keihard moeten werken om mee te kunnen komen. Maar dat is het wel waard. Ik zeg niet dat ik er Rio mee ga halen, maar het zou gek zijn als ik er niet van zou dromen.”




