Josy Verdonkschot kijkt naar de menukaart en probeert een keuze te maken. Geheel volgens Italiaanse traditie is het op deze donderdagochtend tot nog toe gebleven bij een flink aantal koppen koffie. Maar nu lunchtijd is aangebroken en de maag begint te knorren moeten we toch geloven aan iets meer dan een koekje. Een uitsmijter zou te makkelijk zijn. De Caprese dan maar? Met mozzarella en tomaten wel zo Italiaans. “Het probleem is natuurlijk dat die mozzarella naar niks smaakt,” zucht Verdonkschot. “Dat doen ze in Italië toch beter.”
De afgelopen drie jaar was de 56-jarige Verdonkschot werkzaam in Italië als hoofdcoach van de vrouwen en kon hij naar hartelust genieten van het Italiaanse eten. In de machocultuur van de Azzurri moest Verdonkschot het damesroeien opbouwen, iets wat tot dan toe nauwelijks gelukt was. Geen wonder: van de vrouw wordt in Italië verwacht dat ze niet te ver van huis gaat, lekkere gerechten tevoorschijn kan toveren uit de keuken en vooral niet al te veel olympische ambities heeft. Roeien is een mannensport. Met veel spierballen en zongebruinde torso’s, grote praatjes en schalkse knipogen richting het vrouwelijke geslacht. En tegelijkertijd ook met alle narcistische trekjes van dien.
“Als ik alle getallen naast elkaar leg denk ik dat ik toch redelijk geslaagd ben in mijn opzet,” blikt Verdonkschot terug. Maar hij aarzelt. Er zit iets dwars. Ondanks het feit dat hij een twee-zonder op de Spelen kreeg, ondanks de successen die hij boekte bij junioren, senioren-B en niet-olympische ploegen (12 medailles op de verschillende WK’s waaronder drie keer goud) knaagt er iets. Hij denkt lang na voordat hij een antwoord geeft. “Ik baal ervan dat ik een maand na de Spelen een topdubbeltwee had bij de lichte dames die iedereen naar huis voer tijdens de Europese kampioenschappen. Ik wist dat ik ze had, maar door een stressfractuur konden ze het olympisch kwalificatietoernooi niet varen. Het duo dat daar voer was niet goed genoeg, dat wist ik. Had ik iets kunnen doen aan die blessure? Nee. Maar toch knaagt het.”
Verdonkschot acht zichzelf verantwoordelijk voor het missen van de kwalificatie met zijn lichte dubbeltwee. Als coach moet hij aan het einde van de dag zichzelf in de spiegel kijken, ongeacht het feit of er elementen zijn die je niet kunt beïnvloeden. Een verkeerde baan, een vervelende loting, een snoek, een blessure – als coach ben je verantwoordelijk. “Als het misgaat moet je conclusies durven trekken,” vindt Verdonkschot. “In 2006 had ik dat ook moeten doen. Toen was ik verantwoordelijk voor het Nederlandse damesroeien, en toen heb ik het geaccepteerd dat afspraken werden genegeerd. We zouden gaan voor de snelste acht, en dat is niet gebeurd. Daar heb ik ook van geleerd.”
Het Nederlandse roeipubliek zal Verdonkschot voornamelijk kennen als succescoach van de lichte dames dubbeltwee met Marit van Eupen en Kirsten van der Kolk. Misschien ook als cijfergoeroe, die tijdens elke editie van de Heineken Roeivierkamp komt vertellen wat er allemaal opvallend en minder opvallend is aan de resultaten. Maar zijn twee jaar als hoofdcoach van het Nederlandse damesroeien lijken vergeten. Ze zijn ook niet de meest gelukkige jaren uit zijn carrière. Ja, hij heeft het idee dat hij toch wat talenten heeft gebracht die hun successen hebben gehaald, roeisters als Roline Repelaer van Driel en Jacobine Veenhoven. Maar het voelde toch wrang om halverwege het traject richting de Spelen uit te moeten stappen. Maar een coach is verantwoordelijk. En de resultaten van 2006 – of ze nu wel of niet binnen zijn invloedssfeer lagen – waren niet bijzonder goed.
De resultaten van Beijing – goud met de lichte dubbeltwee – en die van de afgelopen jaren in Italië zijn wel goed te noemen. Maar de kans lijkt klein dat Verdonkschot in Zuid-Europa blijft. “Ze hebben nu verkiezingen voor een nieuwe voorzitter, en afhankelijk daarvan worden de plannen gesmeed: wie blijft aan en wie moet vertrekken,” legt Verdonkschot uit. “Grappig genoeg kom ik bij beide kandidaten in de plannen voor. Maar ik zie in Italië een plafond. De voorzieningen voor de roeisters zijn niet hetzelfde als voor de mannen, en zolang dat blijft valt er niet gek veel meer van te maken. En daarnaast vind ik het ook niet fair voor Marit en Tore.”
Marit is Verdonkschots vrouw Marit van Eupen en Tore hun zoon van twee en een half. De afgelopen seizoenen waren voor hen zwaar. Van Eupen woonde met Tore in Nederland en kwam eens in de tijd over naar Italië. Daar stond een mooi huis in Gavirate, aan het meer van Varese, maar de man des huizes had het vaak druk. Te druk. En dat wil Verdonkschot niet meer. “Ik wil niet coûte que coûte coachen. Niet in Italië en niet in Nederland. En aangezien Italië verder weg is acht ik de kans klein dat ik doorga. In Nederland zullen we wel zien. Ze weten me te vinden mocht ik nodig zijn. Of ik een baan als bondscoach ambieer? Tot het moment dat helder is wat de nieuwe structuur wordt binnen de KNRB is dat alleen maar speculatie.”
Het is ongeveer twee uur ’s middags als het laatste kopje koffie leeg is. Verdonkschot, met Italiaanse bondskleding aan, stapt naar buiten, de frisse herfstlucht in. Het zal hem niet onbekend zijn, de gele blaadjes aan de bomen en de lage temperaturen. Daarvoor heeft hij te lang in Nederland gewerkt en kent hij de Bosbaan rond november te goed. Maar toch, die warme herfstzon in Varese. De mist die over het meer hangt als zijn roeisters om zeven uur ’s ochtends de boten naar het meer dragen. Zijn ragazze, de Italiaanse meisjes die als dartele nimfen over het botenterrein waaierden, uitgebreid kwekkend over vanalles en nogwat. En de lekkere mozzarella die niet naar rubber smaakt. Hij zal het nog missen.




