Het is bloedheet in Banyoles. Het kleine, slaperige dorpje zestig kilometer ten westen van Barcelona is het toneel van de olympische roeiwedstrijden in 1992. Op het groenblauwe water van het meer, het grootste in de wijde omgeving, liggen zes ploegen klaar voor hun olympische finale. Op dat moment weten ze nog niet dat het de laatste keer zal zijn dat dit boottype op de agenda van de Olympiade staat. De twee-met. Een nummer van lang vervlogen tijden. Maar het staat ook bol van de heroïek: twee mannen rammen hun boot en de stuurman zo snel mogelijk naar de finish. Wat de zes ploegen eveneens niet weten, is dat de wedstrijd zal uitmonden in een krankzinnige race – een olympische special waardig.
Als er één land in de jaren ’80 dominant is in de twee-met, dan is het Italië wel. Sterker nog: er is één Italiaanse familie die domineert. De Abbagnales. Noem die naam en alle roeiers in de twee-met sidderen en beven. De broers Giuseppe en Carmine Abbagnale zijn onverslaanbaar. Ze schreven met speels gemakt de Olympische Spelen van 1984 en 1988 op hun naam, en wonnen tussen 1981 en 1991 ook nog even zeven wereldtitels in het nummer. Fluitend. Er is bijna geen boot die tegen hen kan opboksen. Vanaf haal één spuiten de Abbagnales er vandoor en laten de anderen ontredderd achter.
Carmine en Giuseppe Abbagnale komen uit Castellamare, een klein dorpje in de baai van Napels. In hun puberteit groeien ze al snel uit tot bonkige roeiers: brede schouders, knoestige handen, scheve tanden en een verweerd gezicht. Passend bij hun uiterlijk moeten de broers het in de boot niet hebben van hun verfijnde techniek. Ze sleuren en trekken hun riemen bijna doormidden, ze zwiepen hun gebochelde lichamen heen en weer over de slidings. Vaste stuurman Giuseppe di Capua moet vaak alle moeite doen om het tweetal rechtdoor te laten gaan.
Maar ze zijn erg succesvol. Tijdens de Olympische Spelen van 1988 zetten de Abbagnales Steve Redgrave te kijk. De Engelsman, die hoopte met zijn maatje Andy Holmes zowel de twee-zonder als de twee-met op zijn naam te schrijven, wordt op een straatlengte afstand gezet en eindigt slechts met brons. Twee jaar eerder, in Nottingham, waren de rollen nog omgedraaid. Het huzarenstukje van de Italiaanse broers is eigenlijk het begin van een sloot aan gouden medailles. In 1989, 1990 en 1991 zijn de Abbagnales oppermachtig. Niemand twijfelt eraan dat ze een derde gouden medaille aan hun toch al indrukwekkende palmares gaan toevoegen in Barcelona. Carmine en Giuseppe liggen, zeker van hun zaak, klaar in baan 3. Midden op het Spaanse water, zoals dat hoort bij de favorieten.
Twee banen rechts van hen zitten twee bleke, slungelige Engelsmannen in een boot. Toevallig genoeg zijn het, net als Carmine en Giuseppe Abbagnale, twee broers. Greg en Jonny Searle zijn respectievelijk 20 en 23 jaar oud, en komen uit Chertsey, een plaatsje ten zuidwesten van Londen. Ze zijn nog groen achter de oren en hebben slechts twee keer mee mogen roeien op het WK. Hun stuurman, Garry Herbert, is nog minder ervaren: hij heeft geen enkel eindtoernooi meegemaakt tot dat moment. Als ploeg is hun palmares zo mogelijk nog korter: met z’n drieën hebben ze slechts een handvol wedstrijden onder de gordel. En nu liggen ze in de finale.
Greg en Jonny Searle zijn supertalenten. Als achttienjarige mag Greg niet alleen meedoen aan de wereldkampioenschappen voor junioren, maar ook aan het grote-mensen-WK in Tasmanië, waar hij en zijn broer met de Britse acht vierde worden. De drie jaar oudere Jonny is op dat moment al een grote naam in Groot-Brittannië: hij maakt furore als student in Oxford, waar hij in 1988, 1989 en 1991 de Boat Race wint. Maar die individuele erelijsten zeggen de broers vrij weinig. Ze roeien het liefste met elkaar; want dan, zo weten ze, gaat het pas echt hard.
In de winter van 1991 trainen ze bikkelhard, maken vele kilometers samen in de twee-zonder. Ze plukken de vruchten van hun noeste arbeid. Tijdens de Britse trials van april 1992 verslaan ze de gevestigde twee-zonder met Steve Redgrave en Matthew Pinsent. Het is een enorme verrassing voor de Britse roeibond. Maar de bobo’s kunnen hun beste twee, regerend wereldkampioen bovendien, onmogelijk uit elkaar halen. De broertjes zelf geven uiteindelijk de voorkeur aan de twee-met: samen in een boot, met stuurman Garry Herbert. Ook al is dat nummer het terrein van de Abbagnales, ook al lijkt er tegen de Italianen geen kruid gewassen.
Maar er is een probleem: Jonny Searle heeft zijn rib gebroken in de race tegen Redgrave en Pinsent. Het duurt vijf weken voordat de broers achterhalen dat de oudste van hen een blessure heeft. Het devies van de dokter: volledige rust, twee weken lang. Weg is hun voorbereiding voor Luzern, de belangrijkste graadmeter voor de Olympische Spelen. De broertjes Searle worden in Luzern kansloos vierde. Niemand geeft ze enige kans van slagen in Barcelona, al helemaal niet als blijkt dat ze tijdens het trainingskamp van de Britse roeibond onderaan bungelen qua prestaties. In rustig tempo is de bootsnelheid van de twee-met percentueel het laagste van iedereen. Pas als het tempo omhoog gaat presteren ze beter. Maar de basis, zo luidt de algehele conclusie in het Britse kamp, is absoluut onder de maat om mee te kunnen komen op de Olympische Spelen.
En toch liggen ze 2 augustus in de finale. Ze hebben vriend en vijand al verbaasd door zo goed te presteren tijdens het toernooi. Hebben van iedereen gewonnen onderweg – behalve de Abbagnales. Maar de spotlights staan op de finaledag van de twee-met op dat andere Britse duo: Redgrave en Pinsent hebben al goud gewonnen. Wat kunnen de Searles daar nu weer tegenover brengen? Niks, zo lijkt. Al in de eerste duizend meter is de wedstrijd al beslist. De broertjes Abbagnale schieten er vandoor na de start. Halverwege is het verschil al twee bootlengtes. En Greg en Jonny liggen dan slechts op de derde plek. “And there really have to be some fireworks if they want to get back on terms now,” luidt de gortdroge conclusie van de Britse commentatoren.
Het werd vuurwerk. Een duizendklapper en zestien gillende keukenmeiden om precies te zijn. In de laatste dertig halen maken Greg en Jonny Searle meer dan een volle bootlengte goed op de Carmine en Giuseppe Abbagnale. “Het werd zwart voor mijn ogen aan het einde,” zei Searle achteraf. “Maar wij als broers zochten dezelfde automatische piloot op en gingen ervoor. Er is niemand met wie ik liever zou roeien en die ik meer vertrouw dan Jonny.” Op het podium barst stuurman Herbert in tranen uit. Hij, uitgerangeerd voor de Britse acht, stuurt nu de twee-met naar goud. In de studio noemt de presentator, BBC-icoon Steve Ryder, de race vrij emotieloos een “stunning performance”. Maar als hij aankondigt naar het nieuws over te schakelen en zijn microfoon toevallig nog aanstaat hoort de kijker zijn ware mening. “That was unbelievable,” mompelt Ryder min of meer stomgeslagen.
“We are witnessing the birth of a new era for coxed pairs, and the biggest boost for British rowing since the coxed four came out of the mist four years ago on Lake Casitas,” brulden de in tegenstelling tot Ryder wel extatische Britse commentatoren in de microfoon vlak na de finish. Mooie, maar holle frasen. Tijdens de Olympische Spelen van 1992 staat de twee-met voor het laatst op het programma. Maar de fenomenale race van de Searles is een waardig afscheid voor de twee-met, een mooie partij vuurwerk. Go out with a bang. Dat is waar je als boot alleen maar op kan hopen.
Greg en Jonny Searle zijn voor eeuwig de olympisch kampioenen in de twee-met. De laatsten der Mohikanen. Legendarisch in het oude, heroïsche boottype dat sinds 1996 terecht niet meer op het programma staat. Na 1992 moeten de Searles daarom op zoek naar een andere bootklasse, een nieuwe uitdaging. Iets wat hen lukt: samen winnen ze in de vier-zonder nog een mooie bronzen medaille in 1996. Maar dan is het voorbij. De broers gaan hun eigen weg. Jonny stopt in 1999 na een weinig succesvolle poging als sculler door te breken. Greg hangt zijn riemen in 2000 ook aan de wilgen, als hij op een haar na de bronzen medaille in de twee-zonder misloopt. Hun hoogtepunt lag in 1992, weten ze allebei. Nou ja, niet allebei. Greg zoekt anno 2012 nog één keer zijn grenzen op. Hij wil nog een keer vlammen, nog één keer voor vuurwerk zorgen. In 2012, twintig jaar na die memorabele race in Banyoles. Je zou hem als Hollander dat knallende afscheid bijna gunnen.


