Er moet me iets van het hart: ik heb ooit een wereldrecord getrapt. Jammer genoeg is het nooit erkend door de officiële instanties. We schrijven de Ergohead, het jaar is 2003. Bij gebrek aan voldoende fitte roeiers doen twee eerstejaars zevens mee in plaats van twee achten. Als we ruim over de helft van de wedstrijd zijn valt het systeem plotseling uit. De kamprechters en de coaches besluiten samen om de ploegen weer van nul af aan te laten beginnen. Dat is goed voor onze mentale weerbaarheid, zo luidt het argument. Onze tegenstanders vallen bij die tweede poging bij bosjes van de ergometer, en dankzij ons doorzettingsvermogen komen we zegevierend over de virtuele eindstreep. Het resultaat: blik, een fust bier en een wereldrecord. Met afstand zijn we de besten in het veld der lichte zevens over een afstand van 8050 meter. We zijn inmiddels ruim negen jaar verder, en nog steeds hebben mijn ploeggenoten en ik de erkenning van deze prachtprestatie niet gekregen.
Onze zeer heldhaftige strijd in de koude winter van 2003 ten spijt ben ik op het gebied van ergometeren wat murw geslagen de laatste tijd. Ik ben wereldrecordmoe. Het is niet dat ik geen enkele waardering heb voor de prestaties, of dat ik denk dat het eenvoudig is om een wereldrecord te realiseren, maar meer omdat het er zo veel zijn. De afgelopen maanden stonden bol van de toptijden. Er ging bijna geen dag voorbij of er was wel iemand in de wereld zo gek, enthousiast, getergd of geïnspireerd genoeg om zijn of haar grenzen te verleggen. En daar hebben we op NLroei ook vrolijk aan meegedaan: de Nieuw-Zeelandse avonturen van Eric Murray, Niki van Sprang en zijn leeftijdsperikelen, Roel Braas tijdens de Ergohead, Henrik Stephansen die als lichtgewicht zijn ergometer met huid en haar opvreet. Allemaal nieuwswaardige gebeurtenissen, maar op een goed moment is het wel genoeg. Ik hoor iedereen al denken bij het lezen van het zoveelste nieuwsbericht. “Alweer een wereldrecord? Houdt het dan ooit op?”
Ik kan het met die gedachte alleen maar eens zijn. Want ergens houdt het natuurlijk op. Natuurlijk, een wereldrecord is slechts een titel. Het geeft aan dat jij, van alle zeven komma zoveel miljard mensen die er op deze aardbol rondlopen, op dit moment ergens het beste in bent. Wat dat dan ook is: een marathon van net iets meer dan 42 kilometer, een snelle sprint van 500 meter of een 24-uurs estafette. Je ziel en zaligheid leggen in dergelijke huzarenstukjes is het vermelden waard, dus plakken we daar met liefde de stempel ‘wereldrecord’ op. Maar zit er niet stiekem een tegenprestatie aan? Moet dat wereldrecord niet iets significants voorstellen? Wat betekent het eigenlijk als je een uur hard hebt geërgometerd als er geen wedstrijden voor zijn? Wie bepaalt met andere woorden of iets een wereldrecord is of niet?
Volgens mij gaat het bij wereldrecords niet om diversiteit. Een wereldrecord krijgt waarde als er veel mensen aan meedoen, als ‘de wereld’ zich met elkaar meet. De 9,58 van Usain Bolt is zo speciaal omdat heel veel mensen proberen zo hard te rennen, maar het niemand anders lukt. Het is maar de vraag of hetzelfde geldt voor een wereldrecord ergometeren. Kijk voor de grap maar eens op de website van ergometerleverancier Concept2. Om een wereldrecord te trappen moet je vanzelfsprekend aan een aantal voorwaarden voldoen. Maar die zijn niet bijzonder strikt. Er zijn namelijk dertien afstands- danwel tijdscategorieën, tien leeftijdsklassen, en voor dit alles is er ook nog het onderscheid licht/zwaar. Voor zowel mannen als vrouwen. O ja: voor de afstand van twee kilometer zijn er trouwens liefst zestien leeftijdsklassen in plaats van tien. Bent u er nog? Als het rekensommetje klopt houdt je aan het eind van de rit liefst 544 wereldrecordmogelijkheden over. En dan praten we alleen nog maar over de officiële wereldrecords voor de individuele roei(st)er. Aan de teams en de onofficiële records – zoals de twintig minuten van de Ergohead – zijn we nog niet eens begonnen.
Iedereen is dus een winnaar; het wereldrecord als gemeentegoed. Gelijk een mooie stempel van een dansende beer bovenaan het huiswerk van gisteren. Dikke kans dat het systeem zijn oorsprong vindt in de roots van Concept2. De Amerikaanse maatschappij drijft namelijk op complimenten en schouderklopjes, op een ‘iedereen moet een kans krijgen’-mentaliteit. Zou het niet beter zijn om … Ach, waar heb ik het eigenlijk over? Het rekensommetje is eigenlijk niets meer dan hersengymnastiek tijdens de koude winterdagen. Bezigheidstherapie nu de kanalen buiten dicht liggen en iedereen verlangt naar de lente. En vooruit, laat ik eerlijk zijn: mijn existentiële monoloog over wereldrecords is natuurlijk gewoon een verkapt argument om mijn eigen topprestatie in de boeken te krijgen. Want er als er al 544 mogelijkheden zijn, wat is dan de moeite om een 545e toe te voegen?


