Veel roeiboten maken talloze kilometers over de weg. Weet de toerroeier dat de boten van de equipe in de winter drie keer 2500 kilometer naar Sevilla afleggen? Weten wedstrijdroeiers dat ieder jaar wherries kris kras door Europa rijden voor lange roeitochten? Sinds 1934 vervoert Meeuwisse roeiboten. Eerst alleen per schip, later ook over de weg. NLroei reed met Cas Meeuwisse per vrachtwagen mee naar de Rotsee. Een rondje Zwitserland met dure en kwetsbare lading.
foto: De Neckar wordt overgestoken. De chauffeur heeft even alleen oog voor de scheepvaart. Meeuwisse vaart zelf regelmatig met een oud schip van de familie dat werd opgeknapt. “De uitdaging met achten te rijden, was na een paar jaar al verdwenen.”
Maandag 7 juli. Bosbaan. 18.00 uur. Bij het opladen van de boten voor de wereldbekerwedstrijden in Zwitserland wordt duidelijk waarom men bij veel roeiverenigingen slechts met een set riemen per persoon mag wandelen. Roeiers van de Nederlandse selectie komen standaard met een bos palen aanlopen. Regelmatig stuitert een rood-wit-blauw blad op de grond voordat ze in de riemenbakken tussen de wielen verdwijnen. Met de boten gaan de atleten wel voorzichtig om. Cas bindt de ranke schepen met singels op de stellingen van de aanhangwagen. Stoelen, riggers, fietsen, de ‘equipe-tent’, kisten gereedschap voor bondscoaches en sportdrank worden in de open laadbak verzameld. Vijf kwartier later trekt Cas een dekkleed over de spullen. De rit kan beginnen.
Na nog geen kwartier rijden, komt de combinatie evenwel weer tot stilstand. Geen file, truckersleed hindert het transport. Bij de douane op Schiphol moeten papieren in orde worden gemaakt om met goederen Zwitserland in en weer uit te kunnen komen. “Het document moet geboren worden”, stelt een beambte vast. De bevalling zit tegen. Na een uur verschijnt een jochie in een groen uniform, hij wil de lading bekijken. “Die dingen steken zeker een meter voor hart koppeling uit”, is zijn eerste conclusie over de punten van de vloot die over de laadbak van de truck steken om het geheel enigszins binnen aanvaardbare afmetingen te houden. “Ja jongen, ik vervoer pas sinds 1957 boten. Tot nu toe werkte het prima zo”, antwoordt Cas. Een gratis advies over de bevestiging van de kentekenplaat volgt. Vervolgens deugt er iets niet aan de vergrendeling van de uitschuifbare planken die het mogelijk maken om boten op de hoogste stelling, zo’n 3,5 meter boven het asfalt, te kunnen leggen. “Als u niet mij maar een collega treft die kwaad wil, had u een flinke bekeuring te pakken.” Het ventje bindt in als een wat oudere vrouwelijke collega poolshoogte komt nemen. Ze zet een handtekening en wat stempels en de boten gaan gaan echt op reis.
23.15 uur. Roeibaan Tilburg. “We komen het skiffje van Dirkie halen”, meldt Cas aan twee correct geklede dames die vanuit het donker op ons afstappen. “We hebben Dirk’s boot maar even binnen gelegd, anders liep er misschien iemand tegenaan. We hebben uittrainingsfeest met alle Vidraten. Blijven jullie?”, vraagt de een. “Iets te drinken voor onderweg dan?”, oppert de ander. De boot van Dirk Lippits, die veel in Tilburg traint, wordt naast de skiff van Chalupa gelegd. Lippits ligt tijdens het transport constant een metertje voor op de Tsjech. Binnen twintig minuten gromt de vrachtwagen weer over de A58. Cas: “Geloof me, ik heb in m’n leven genoeg dronken studenten gezien. Vidraten. Heb jij die term ooit gehoord?” Via Eindhoven en Venlo rijden de boten Duitsland in. Onderweg wordt even getankt. Even na enen draait de Daf het parkeerterrein van een hotel bij Moers op. Dinsdag 8 juli. 07.00 uur. De wekker loopt af. Ondanks de korte nacht is Cas meteen wakker. Ontwaken doet hij niet, een ochtendhumeur is hem vreemd. Over Autobahn 3 filevrij langs Keulen, maar de Daf 65 krijgt het op weg naar Franktfurt zwaar. Bergopwaarts wordt de wagen van Meeuwisse door iedereen ingehaald. Telefonisch wordt de stand van zaken (“deze wagen houdt al in als die een heuveltje ziet”) doorgenomen met zoon Kees die het familiebedrijf tegenwoordig runt. Junior “doet een toertocht” in Frankrijk met Cas’ favoriete truck. Cas mist de PK’s en de ruime slaapcabine. “Dit is geen doen. Geen ruimte. Niks. Hier kan je een oude man toch niet mee wegsturen?” Maar de 66-jarige heeft begrip voor de situatie. De andere truck kan zestien wherries laden. In Luzern staat de kleinere truck bovendien een hele week stil.
De bondsboten liggen comfortabel te deinen op de luchtgeveerde ‘hanger’, die in 1980 voor Aegir’s BOWA’s werd gebouwd. Cas heeft het op een oud stuk autobahn bij Freiburg aanzienlijk slechter. In de cabine van het bladgeveerde trekkende voertuig zijn gaten in het wegdek wèl te voelen. Per GSM wordt Meindert Lippits, broer van skiffeur Dirk, gevraagd C-vieren naar Amsterdam te brengen met de kleine botenwagen van de firma. Voor de rest van het vervoer naar de roeikampen in Friesland wordt Euros Road Company ingezet. Aan de chef d’équipe wordt rond 15.00 uur een vermoedelijk tijdstip van aankomst doorgegeven. “Vroeger kon het allemaal zonder mobieltje”, vertelt Cas zo’n veertig kilometer voor Basel. “Ik weet nog dat mijn vader langs de bootslieden van DDS, Nautilus en De Dordsche fietste om bij de bootslieden te informeren wat mee moest naar een wedstrijd.”
De familie Meeuwisse is van oudsher een schippers familie. Het vervoer van roeiboten begon toevallig, vertelt Cas. “Mijn vader deed vooral handel in grond, mest en veel turf. Buurman De Laak had een schippertje en die kon een keer niet.” Tot WO II vervoerde Meeuwisse alleen Haagse boten. Daarna lieten ook DDS en Die Leythe hun boten door Meeuwisse vervoeren. “Het ging steeds meer een bedrijfje worden,” vertelt Cas. Vijftien jaar geleden vervoerde Cas’ broer voor het laatst roeiboten per schip. “Geen wedstrijdboten, toerboten. Maar het duurt te lang, je moest tien dagen varen voor een toertocht van een week op de Neckar. En dan moest je ook nog terug. Geen pretje.” Aegir begon in 1953 met vervoer over de weg. Vanaf 1960 werden boten soms ook door Meeuwisse vervoert per auto. “Op een stelling gingen drie viertjes, plus een paar skiffjes op kussens in de bak.” Laga wilde vanaf 1963 ook over de weg bedient worden. In overleg met Meeuwisse werd een botenwagen gebouwd. De ‘Laga-wagen’, die nog steeds dienst doet, werd getrokken door een Opel Blitz. “Rijden maakte alles een stuk makkelijker. Met de vrachtwagen kon ik langs kleine verenigingetjes rijden en overal wat boten oppikken.” Op de vraag welke vereniging hij nooit aandeed, komt pas na enige tijd een antwoord. “Ik zou het roeiblad moeten pakken. Ik ben denk ik nog nooit bij Neptunus geweest.”
16.00 uur. Weil am Rhein. De Duitse douanier zet nonchalant wat stempels. De Zwitser is opvallend enthousiast. “Aah, Ruderboote für Luzern!” Hij wil weten of Nederland weer over een goede acht (“zoals die van in ’96”) acht beschikt. Twee uur later draait Cas het straatje naar het botenterrein in. Om de punten niet te laten sneuvelen op bordjes of verkeerslichten heeft Cas speciale trucjes. “Je moet de bochten vierkant rijden, dan steken de boten alleen òp de kruising even uit”, onthult Cas. Avonds vaart de mannen dubbeltwee een paar baantjes. De bemanning van de dubbelvier stelt hun schip af. Cas is vier dagen vrij. Zondag kan er weer geladen worden. Inclusief een stop bij Empacher, waar een boot voor reparatie wordt afgeleverd en “geel spul” voor Nederlandse verenigingen en de roeibond wordt geladen, zal Cas dinsdagnacht om 02.40 uur weer bij de Bosbaan arriveren. Voor drie dagen roeien zijn Meeuwisse plus vrachtwagen acht dagen op weg.




