Halverwege zijn voordracht tijdens het Groninger Roeicoachcongres besloot Diederik Simon opeens een anekdote aan te halen. De vijfvoudig olympiër, die door de organisatie was uitgenodigd om over zijn ervaringen als coach te vertellen, haalde plotseling het Kerstcircus in theater Carré aan. Als hij daar jaarlijks komt, dan schaamde hij zich kapot. “Want dan staat zo’n hele familie op elkaar te balanceren en dan zit het zusje bovenin op een bord”, besloot de 43-jarige Simon zijn smakelijke voorbeeld om aan te geven waarom het gek is dat men in Nederland de inpik en uitpik maar niet onder de knie krijgt.
Het Groninger Roeicoachcongres kreeg dankzij de bijzondere verhalen van Simon een prettige, luchtige wending. Voor de eerste presentatie had de organisatie namelijk plek ingeruimd voor de Deense sportfysioloog Kurt Jensen, die aan de hand van talloze staatjes, grafiekjes en meetgegevens aantoonde wat hij in zijn vele jaren als roeiwetenschapper te weten was gekomen. De Deen begon gelijk met een boud statement: roeiers komen tijdens hun prestaties dichter bij flauwvallen dan welke andere sport ook. Dankzij de horizontale positie in de boot is het makkelijk voor het lichaam om bloed rond te pompen. En daardoor is het dus ook makkelijker om dieper te gaan.
Maar dat diep gaan, zo betoogde Jensen, werkt voor iedereen persoonlijk. Je kunt wel een sjabloon creëren waar elke roeier aan moet voldoen, maar uiteindelijk zal je op topniveau specifiekere trainingsschema’s moeten opstellen om je atleten op de juiste manier te prikkelen. Vandaar ook dat Jensen in zijn tijd bij de Deense roeibond een serie testen op de ergometer ontwikkeld heeft om de verschillende (aërobe en anaërobe) systemen van de roeiers te onderzoeken. Testen die inmiddels ook gemeengoed zijn geworden binnen de Nederlandse roeiwereld: 100 meter, 1 minuut, 2 kilometer, 6 kilometer en 60 minuten zo hard mogelijk. Van deze testonderdelen staat alleen de zestig minuten in Nederland nog niet op het programma.
Maar wellicht dat dit er binnenkort nog van gaat komen. Jensen is via oud-bondscoach Diederik de Boorder al betrokken bij het RTC Zuid-Nederland (Thêta/Vidar) en het lijkt niet ondenkbaar dat de voor Denemarken ontwikkelde testmethodes steeds meer geïmplementeerd zullen worden. Tot op heden gebruikt de KNRB als leidraad de Olbrecht-test – een door de Belgische fysioloog Jan Olbrecht ontwikkelde lactaat-test waar door middel van bloedafname werd gecontroleerd hoe fit een roeier is. Jensen is van een andere school: hij propageert fysiologisch onderzoek op de ergo waarbij de roeier aangesloten zit op ademhalingsapparatuur om zo de zuurstofopname te controleren, een manier van testen die volgens de Deen te weinig wordt toegepast in de internationale roeigemeenschap.
Het verhaal van Jensen was interessante, maar tegelijkertijd ook droge materie, vooral bedoeld voor mensen die zich graag willen verdiepen in de wereld van de VO2-max en de achterliggende reden van het uitvoeren van fysiologische tests. De tweede presentatie, die van Diederik Simon, was totaal het tegenovergestelde. “Ik ben meer van het gevoel”, kondigde de olympisch kampioen van Atlanta al snel aan toen hij zijn verhaal vergeleek met dat van zijn voorganger. “Machtig interessant hoor, die cijfers van Jensen, maar ik snap daar niks van. Ik ben een man van de praktijk.”
Wat volgde was een geëngageerde vertelling over coachen, waarbij Simon de Cruijfiaanse wijsheden niet schuwde. Het hanteren van een simpel eigen coachsysteem was volgens de oude meester belangrijk, net als consequent zijn en niet continu tegen je roeiers willen praten. “Voor roeiers moet je niet teveel mist maken. En constant toeteren kost bovendien een hoop batterijen.” Ook van essentieel belang: roeiers op een natuurkundige wijze bij de hand nemen. Niet de statische bewegingen leren – het bekende ‘benen-rug-armen’ – maar juist de natuurkunde achter de roeibeweging uitleggen. Hoe een blad de boot voorbij een bepaald punt moet trekken. Dat snapt volgens Simon namelijk iedereen.
Maar de echte lachers kreeg Simon pas op zijn hand toen hij begon te praten over gelijkheid. “Roeiers willen liever gelijk krijgen, dan gelijk roeien”, stelde de Amsterdammer. “In Nederland willen we allemaal ons dingetje vinden. Nabesprekingen waarbij iedereen allerlei puntjes gaat aanstippen en eindeloos geouwehoerd wordt? Hou op, zeg. Om gelijk te komen moet je bereid zijn om in alles concessies te doen. Het is niet een kwestie van de waarheid, het is een consensus. Je moet bereid zijn jezelf aan te passen in de kleinst mogelijke beweging, en niet teveel met jezelf bezig te zijn.”
Het Groninger Coachcongres was dankzij de luchtige bijdrage van Simon minder zwaar dan de afgelopen jaren, waar de nadruk vooral lag op medische gegevens en de bijbehorende statistische onderzoeksresultaten. Mede daardoor was het verhaal van Kurt Jensen ook beter te verteren. En ja, dat de Cruijffiaanse wijsheden van Simon soms wat al te kort door de bocht waren is natuurlijk ook waar. Roeien mag volgens de oude meester dan wel simpel zijn – of een stuk makkelijker dan de evenwichtsact van een circusfamilie in Carré – maar voor mensen met minder sportieve aanleg dan iemand als Diederik Simon zelf is het maar wat moeilijk om die inpik onder controle te krijgen. Dat vergt jarenlange oefening, een goed trainingsschema en vooruit, misschien ook een coach die niet teveel batterijen leegtoetert.



