Om en nabij zeventig coaches zaten vandaag aandachtig te luisteren naar de drie presentaties die tijdens het Groningse coachcongres werden gegeven. Onder het mom van het thema ‘Testen’ presenteerden Ruby Otter, Mathijs Hofmijster en Valeri Kleshnev ieder hun opvatting over roeien – of dat nu verhaalde over de submaximaaltest, slimme techniek om sneller te roeien of het complexe plaatje van de ideale haal – en zorgden onbedoeld voor een interessante conclusie: in de Nederlandse roeiwetenschap kan nog veel gewonnen worden. Want als het inderdaad de ambitie van de KNRB is om een innovatief sportlab te hebben waarmee we de rest van de wereld te slim af te zijn, dat kunnen er nog redelijk wat stappen worden gezet.
Die conclusie klinkt misschien wat hard, maar is niet bedoeld als een klap in het gezicht van wetenschappers als Hofmijster en Otter. Integendeel: het is een aanmoediging. In vergelijking met Valeri Kleshnev, een expert op het gebied van bewegingswetenschap en biomechanica, viel namelijk op dat de Russische wetenschapper met veel bindende conclusies kwam. Ondanks de overdosis aan cijfers en gegevens en het veelvuldige ‘it is very simple’ terwijl bepaalde stappen ongetwijfeld niet voor iedereen zo logisch waren, was er weinig tegen de Russische logica in te brengen. Ingewikkeld en tegelijkertijd vanzelfsprekend, dat was het betoog van de Rus in een notendop. Een fijne mix waarbij de geest van de toehoorders optimaal geprikkeld werd.
Kleshnev maakte, geholpen door zijn Russisch-Engelse accent, in zijn presentatie korte metten met een aantal roeistijlen. Voorzichtig het vermogen opbouwen in de haal – aanzwellen naar de finish toe? Onzin. Voorin moet je als roeier vooral veel kracht willen leveren, aangezien de boot alleen tijdens de haal verplaatst kan worden en je de sterkste spieren niet moet verkwanselen. Vroeg je rug gebruiken in de haal? Dodelijk. Het aloude benen-rug-armen, armen-rug-benen toch echt de beste bewegingsvolgorde was. Maar wel met een kanttekening: als we op een onderdeel nog willen winnen, dan is het wel met de rugzwaai. Kijkend naar het leverbare vermogen blijft de zwaai van het bovenlichaam namelijk achter bij de beentrap en de eindhaal van de armen en de schouders.
Het verschil tussen het betoog van Kleshnev en dat van Otter en Hofmijster lag in het dwingende karakter van de presentaties. Laatstgenoemden poneerden meer een stelling en lieten het aan het publiek over om bepaalde trainingsmethoden te accepteren of niet. Een oerhollands staaltje polderen. En juist daarin ligt niet de waarde van wetenschap: dat bestaat juist uit weerleggen, bewijzen en harde conclusies. Enen en nullen, cijfers en data. Niet al te veel onzekerheid. Niet dat de presentaties van Otter en Hofmijster inhoudelijk oninteressant waren, integendeel. Otter legde met voor- en vooral nadelen uit waarom maximaaltesten lang niet altijd zin hebben en schotelde het publiek submaximaaltesten voor. Vaker te herhalen, daardoor beter te vergelijken en ook nog eens minder belastend voor de roeier of roeister in kwestie.
Hofmijster, embedded scientist van de KNRB, legde zijn achtergrond uit en kwam met een aantal drukcurves op de proppen om duidelijk te maken hoe een roeihaal er uit moet zien. Vervolgens vertelde hij over de bezigheden van afgelopen seizoen: met door NOC*NSF beschikbaar gestelde apparatuur zijn de olympische ploegen gevolgd en gemonitord om zo te kijken hoe snel de boten voortbewogen en waar verbeterpunten lagen. Met behulp van die gegevens bewees hij dat het roeien van hoger tempo lang niet altijd leidt tot een hogere bootsnelheid – geen opzienbarende nieuwe conclusie, maar nu wel gestaafd door gegevens. Maar als het aan Hofmijster ligt moeten roeiers en roeisters die gegevens nu nog op een goede, betaalbare manier gepresenteerd krijgen tijdens het roeien om ze gelijk te confronteren met hun prestaties. Hoe? Met een smartphone app, wellicht.
Genoeg informatie om over door te discussiëren. En genoeg mensen ook om dat te doen. De aanwezige coaches waren echter wel vooral afkomstig van burgerroeiverenigingen. Op een aantal Groningers van Aegir en Gyas na waren er nauwelijks afgevaardigden van studentenroeiverenigingen in het Universitair Medisch Centrum te vinden. Jammer. Aan een gebrek aan informatie lag het in ieder geval niet. Toen dagvoorzitter Ron Diercks na drie kwartier met een lichte kuch de aandacht trok van Kleshnev en hem duidelijk maakte dat hij nog vijf minuten had om zijn verhaal af te ronden, keek de Rus verbaasd op. “Five minutes to break?” vroeg hij, in de verwachting dat hij nog wel even verder kon. Maar voor alle informatie die Kleshnev gedurende zijn jaren bij diverse topploegen heeft verzameld was helaas geen tijd. Wie weet volgend jaar. Het zou hoe dan ook welkom zijn, want we kunnen als roeiend Nederland, wetenschappers incluis, nog veel van hem leren.


