Heel Utrecht wint met (de roei)sport en recreatie in Rijnenburg

Algemeen

Utrecht groeit keihard, maar tegelijkertijd krimpen de mogelijkheden om te roeien razendsnel. Daarom zijn de drie Utrechtse roeiverenigingen Triton, Viking en Orca al tientallen jaren op zoek naar extra roeiwater. In Rijnenburg is daarvoor de allerlaatste kans. Er komt daar een flinke wijk waar 50.000 mensen gaan wonen. Om onder andere de bebouwde oppervlakte te compenseren, moet er minstens 60 hectare water worden aangelegd. De helft ervan willen de roeiers graag in gebruik nemen, zodat zij veilig en verantwoord kunnen trainen.

Volgens de Utrechtse roeiers kan rondom de roeibaan een prachtig multifunctioneel gebied ontstaan waar heel Utrecht wat aan heeft. Want naast de roeiers zoeken vele andere sporters naar ruimte. Het Utrechtse onderzoeksbureau Buiten ging ermee aan de slag en becijferde dat heel Utrecht wint met (de roei)sport en recreatie in Rijnenburg.  Als het water voor de roeiers slim wordt neergelegd, kunnen andere sportfaciliteiten die Utrecht nodig heeft, ook een plek krijgen. Daarbij is er ook ruimte voor bos, festivals, energieopwekking en meer.

Baten
Bureau Buiten becijferde dat het sport- en recreatiegebied jaarlijks tussen de 500.000 en 1.500.000 bezoekers zal trekken. De maatschappelijke baten leveren miljoenen euro’s op. Gisteravond is het rapport door een junior van roeivereniging Viking uitgereikt aan wethouder Susanne Schilderman van de stad Utrecht.

Rosie Peeters (Orca) en Hugo Versteeg (Triton) zijn de voorzitters van de Utrechtse studentenroeiverenigingen. “De gemeenteraad heeft in de afgelopen jaren steeds weer steun voor het roeien uitgesproken, wij vertrouwen erop dat er geschikt roeiwater gerealiseerd gaat worden. Onze wedstrijdroeiers zullen er gaan trainen, waardoor er op het Merwedekanaal weer meer ruimte ontstaat voor de vele breedtesporters. Maar het rapport van Bureau Buiten laat ook zien dat heel de stad veel heeft aan een sport- en recreatiegebied in Rijnenburg”, aldus de voorzitters.

Het rapport is medegefinancierd door Wietse Mulder van de TxMiller Foundation. Het rapport is hier te vinden.