Het is half zeven ‘s ochtends. Zo’n twintig kilometer ten noordoosten van San Francisco ligt Briones Reservoir, het meer waarop de roeiers van Berkeley vrijwels dagelijks trainen. Kraakhelder water, dat er in de ochtendschemering als een spiegel bij ligt. Geronk verstoort plotseling de serene ochtendstilte. Over de zanderige weg die richting de botenloods van de Amerikaanse universiteit leidt komt een busje aangereden, waar acht roeiers uit komen rollen, de slaap nog uit de ogen wrijvend. Maar veel tijd voor rustig wakker worden is er niet. Vandaag is woensdag: tijd voor drie keer vier kilometer hard. Wie in de Varsity Eight wil komen moet zich laten zien.
Oud-junior Niki van Sprang is na een eerste semester in Berkeley een van de roeiers die zichzelf in de Varsity Eight wil roeien. De ‘oude acht’ van de prestigieuze universiteit is waarin hij wil schitteren. Hij wil Olivier Siegelaar achterna, de tweevoudig olympiër die tussen 2007 en 2013 in Californië studeerde en de progressie van de 20-jarige Van Sprang nauwgezet in de gaten houdt. Hij was een van de eersten die stond te juichen toen Van Sprang vorig jaar 6:01 op de klokken zette tijdens een ergometertest. En Siegelaar weet als geen ander hoe de trainingen van Mike Teti eruit zien. De Amerikaanse succescoach is van het type ‘niet lullen, maar poetsen’ – als je niet luistert dan kan je ophoepelen.
Het is daarom bevreemdend om bij de voorbespreking te staan. Nou ja — voorbespreking. Teti, een brombeer die niet graag dingen twee keer uitlegt, houdt een verfrommeld papiertje vast en mompelt wie er in welke combinatie gaat varen. Zelfs op twee meter afstand is het nauwelijks te verstaan, nog los van de roeiers die her en der door de loods hun warming-up doen en de instructies van Teti op geen enkele wijze kunnen hebben meegekregen. Maar durf dan maar eens bij de 60-jarige Amerikaan aan te kloppen. Gelukkig bied assistentcoach Scott Frandsen, in 2008 goed voor olympisch zilver in de twee-zonder, soelaas. Hij vertelt de roeiers nogmaals wat ze willen weten, en gedwee lopen ze naar buiten.
“Hij is een goeie jongen”, zegt Teti over Van Sprang, als de roeiers de twee motorboten een voor een de helling afrijden richting het meer. “Binnenkort mag hij een keer in de twee-zonder.” De twee-zonder is een goede stap vooruit voor Van Sprang. Voorlopig moet hij het namelijk in de vier-met doen. De mindere goden roeien in dat boottype terwijl de grote, ervaren jongens samen in een tweetje mogen stappen. Maar Van Sprang wekt indruk. Zijn ergometerscores doen niet onder voor de rest. “Ik denk dat hij een goede kans maakt op de boegplek in de Varsity Eight”, denkt Frandsen hardop.
De roeiers zijn ondertussen allemaal het water op. Frandsen vaart zijn bootje richting The Plug, het keerpunt halverwege. Twee kilometer heen, rondmaken terwijl de tijd stilstaat, en dan weer twee kilometer terug. Allemaal in tempo dertig, al houdt niemand zich daadwerkelijk aan het opgelegd baantempo. Het draait er om de andere ploegen gek te maken en bovenaan de ranking te komen. Om ervoor te zorgen dat de stopwatches van Teti aan de ene kant van het meer en Frandsen aan de andere kant van het meer op een zo gunstig mogelijke tijd blijven stilstaan.
Terwijl de zon langzaam over de heuvels klimt en de laatste restjes van het ochtendduister wegneemt filosofeert Frandsen met een lach op zijn gezicht over allerhande onderwerpen om de tijd te doden. Over zijn positie als coach in Californië, een fijn baantje dat hij te danken heeft aan zijn eigen tijd als Cal Bear. Over The Plug – een plek die tijdens een zombie-apocalypse de perfecte schuilplaats zou zijn. En over Iron Man, zijn nieuwe hobby. Op het moment is hij een schim van de massieve roeier die hij was: 78 kilogram schoon aan de haak, klaar voor de Iron Man op Hawaii waar hij zich voor heeft weten te kwalificeren. “Misschien ga ik daarna nog wel roeien”, peinst de Canadees, die zijn roeicarrière nog niet heeft opgegeven na de teleurstellende zesde plaats in Londen.
Plotseling klinkt het geluid van rolbankjes, in het water kletsende riemen en het gehijg van roeiers. De eerste tweetjes naderen The Plug, waar ze één voor één worden geklokt door Frandsen alvorens ze weer naar de andere kant van het meer varen. Na de twee-zonders komen ook een drietal viertjes aangestormd. Van Sprang zit op boeg van de eerste vier. Een stoïcijnse blik in zijn ogen, die verraadt dat hij in opperste concentratie probeert zich van zijn beste kant te laten zien. Dan is hij plotseling weer weg. Tempo 32, lekker terugploeteren en de andere viertjes wegduwen.
De stilte keert terug op Briones Reservoir. Een ideale plek om te roeien, zo beaamt Frandsen. Een waterspiegel waar de wind nauwelijks waait, en waar je dus lekker heen en weer kunt beuken zonder aan techniek te denken. Het is verstand op nul en gaan: de trainingsmethodes in Berkeley vereisen niet finesse maar inzet, geen souplesse maar doorzettingsvermogen. Elke dag moet je tong op je knieën hangen — iets wat een kolfje naar de hand is van Niki van Sprang. Hij is een junior die goed gedijt bij hard werken. Die zo gek was – zo ziet hij het zelf ook – om een marathonafstand lang op de ergometer te zitten, iets wat hem respect heeft opgeleverd bij zijn collega-roeiers.
Na drie keer vier kilometer zit de training erop. Het is inmiddels iets na achten ’s ochtends, en de meeste roeiers moeten naar college. Een van hen maakt de kapitale fout door Mike Teti te vragen of hij vrijdagavond vrij mag. Familiediner. “Het is mijn fucking verjaardag morgen”, zegt Teti. “Ik plan dat ook gewoon om de training heen. Maar prima. Ik hoef je niet te zien morgen. Blijf maar weg.” De roeier druipt met de staart tussen de benen af. Niet uit het juiste hout gesneden, zo weten de coaches. Van Sprang sloft inmiddels achter de anderen aan. “Welkom op een standaard dag bij Cal”, zegt hij met een glimlach. Een plek waar je alles moet geven om bij de besten te willen horen.





