De eerste woorden van Sander Smulders zijn duidelijk. “We kunnen wel wat leren van de Amerikanen qua sport,” zegt de oud-roeier van Nereus, inmiddels al weer heel wat jaartjes actief als coach binnen het Nederlandse roeien. Om het klappen van de zweep nog wat beter aan den lijve te ondervinden vloog Smulders een aantal weken terug naar Boston om in Harvard, onder de vleugels van Michiel Bartman, stage te lopen als roeicoach. In het eerste deel van een nieuwe serie specials over Nederlandse roeicoaches in het buitenland staat dit keer Amerika centraal. “De voorwaarden hier zijn een stuk beter geregeld,” aldus Smulders.
Ook zonder het gezicht van Smulders te zien merk je dat hij nog altijd met grote ogen om zich heen kijkt. Naar de voorzieningen die er zijn binnen een grote universiteit als Harvard. Naar de mate van professionaliteit, de saamhorigheid tussen de verschillende sporten en de drang om Harvard bovenaan te krijgen – iets wat bij de mannen afgelopen weekend bijna gelukt was tijdens de Head of the Charles. “Iedereen werkt hier samen,” vertelt Smulders. “Ze hebben hier voor vrouwen en mannen gezamenlijk 42 Varsity-sporten: van lacrosse tot roeien, en van skiën tot atletiek. Iedereen maakt gebruik van dezelfde faciliteiten en iedereen kijkt ook bij elkaar mee.”
Natuurlijk, Smulders verkeert in een luxepositie. Hij mag mee-eten uit de ruif van een van de rijkste universiteiten ter wereld. Dankzij de goedbelegde boterham van oud-studenten en een fikse bijdrage vanuit de NCAA – de door grote sponsorinkomsten welbedeelde nationale studentensportfederatie – is er weinig wat niet mogelijk is in Harvard. “Klopt,” beaamt Smulders. “Doordat er geld is, kan je al deze dingen betalen. In Virginia, de universiteit die vorig jaar de beste vrouwenacht op het water had liggen, hebben ze drie profcoaches rondlopen, waarvan twee fulltime. Dat is duur. Maar tegelijkertijd moet je in Nederland die stap durven maken. Wat er nu met profcoaches gebeurt in Nederland is al een zet in de goede richting. We lopen daar alleen twintig jaar in achter – professionalisering is hard nodig.”
“In Nederland verkeren we namelijk in een enorme luxepositie,” gaat Smulders verder. “Het aantal afroeiers dat een vereniging als Laga of Nereus elk jaar aantrekt is in vergelijking met de situatie in Amerika duizelingwekkend. Ze hadden hier bij Harvard-Radcliffe, de vrouwenafdeling van het roeien, 35 zogenaamde walk-ons – roeisters die vanzelf de vereniging opzochten omdat ze wilden roeien. In Amsterdam heb je iedere jaar minimaal 150 vrouwen die willen wedstrijdroeien. Wat dat betreft is er zo gruwelijk veel potentie in Nederland. Als je de voorwaarden maar goed voor elkaar krijgt. De professionele structuur ontbreekt simpelweg.”
De professionele structuur – en een hardere mentaliteit. Smulders looft de Amerikaanse trainingsethiek: veel wol en weinig geschreeuw. Het is gaaf om ergens voor te gaan, om je kop boven het maaiveld uit te steken. En haal je de selectie, de wereldkampioenschappen of de Olympische Spelen niet? Jammer. Je hebt in ieder geval je best gedaan en verdient een schouderklopje voor je inspanningen. “Hier doen ze ook niet zo moeilijk over veel trainen – in Nederland wordt al gauw zenuwachtig gekeken naar de klok in verband met studie, het sociale leven, werk. Maar in Amerika studeert iedereen ook gewoon af in vier jaar en ga je daarna werken. Als je ernaast wilt roeien in het nationale team, dan doe je dat gewoon.”
We onderschatten onszelf, met andere woorden. We mogen onszelf iets meer op de borst kloppen, iets meer ergens voor durven gaan. Wedstrijden starten in plaats van trainen voor dat ene moment; onderuit durven gaan en vervolgens weer opkrabbelen. Maar tegelijkertijd moeten we onze Nederlandse directheid en eigen mening niet vergeten. “Die mondigheid zullen we ook niet verliezen,” zegt Smulders. “Dat zit echt ingebakken – en dat is ook goed. Roeiers in Nederland denken meer na over wat ze doen en handelen daarnaar. Als dat goed gaat is het goud, zeker als je een gedegen structuur opbouwt zoals ze die in Amerika ook hebben.”





