Blik op Sydney

Archief

De KNRB heeft op 2 december 1997 een plan van aanpak geschreven wat moet leiden naar Goud in Sydney.

Amstelveen, 2 december 1997

INHOUDSOPGAVE

Inleiding
1. Profiel KNRB
2. Profiel toproeien
3. Evaluatie Atlanta 1996
4. Doelstelling: ook goud in Sydney
5. Hoe de doelstelling te bereiken?
6. Medische zorg en anti-doping
7. Bestuur, commissie toproeien, managementteam
8. Verenigingen, NOC*NSF en sponsors
9. Toproeien als inspiratiebron
10. Financiering

bijlagen
I Ranglijst n.a.v. Atlanta
ll Overzicht Olympische en WK-nummers
III Programmering
IV Financieel scenario (nog niet beschikbaar op NLroei)

INLEIDING

Het Lake Lanier nabij Atlanta bracht voor het roeien en voor de hele Nederlandse sport veel moois: goud voor de Holland Acht, zilver voor de licht heren dubbeltwee en brons voor de dames dubbeltwee. Bijna te mooi om waar te zijn, al waren er in Atlanta ook teleurstellingen. De titel van het beleidsplan van najaar 1992 werd waargemaakt: Goud in Atlanta. Nu zetten we de stappen om hier de komende vier jaren een vervolg aan te geven, zodat ook in 2000 in Sydney goud zal worden behaald.

Toproeien heeft in de geschiedenis van de Koninklijke Nederlandsche Roeibond (KNRB) van begin af aan een prominente plaats ingenomen. Zelfs al voordat er een bond was werd goud behaald op de Spelen in Parijs in 1900. Voor de bevordering van toproeien bestaat binnen de bond dan ook een groot draagvlak. Meer dan 40% van de inkomsten uit contributies gaat naar toproeien. Daarnaast is de werkorganisatie voor een groot gedeelte gericht op toproeien. Het wedstrijdroeien in het algemeen speelt binnen de bond een grote rol. Daarbij zijn met name de studentenverenigingen, die één van de fundamenten vormen van het Nederlandse roeien, van groot belang.

Voor de komende jaren willen wij bereiken dat een behoorlijk aantal roei(st)ers uit de Atlanta-equipe blijft roeien en dat de equipe voor Sydney verder zal bestaan uit nieuw talent van de studentenverenigingen en (ex)junioren. Een professionele begeleiding bij het herkennen en ontwikkelen van talent en bij het vervolgens boeken van resultaten is essentieel.

Onder toproeien wordt verstaan: meedoen op tenminste finale-niveau op wereldkampioenschappen.

1 PROFIEL KNRB

1.1 Structuur en organisatie

De KNRB is de overkoepelende organisatie van de iets meer dan honderd roeiverenigingen die ons land rijk is. Bij deze verenigingen zijn ongeveer 21.500 roei(st)ers aangesloten. De bestuurlijke (vrijwilligers)organisatie bestaat uit een bestuur van acht leden, bijgestaan door ongeveer tachtig personen in 16 adviserende en uitvoerende commissies en werkgroepen. De werkorganisatie is klein en bestaat uit drie kernen:bureau en administratie(3,6 fte), topsportbegeleiding(3,6 fte) en sporttechnische verenigingsondersteuning(3,5 fte).

Kenmerkend voor bestuur en werkorganisatie zijn:

  • een sterk accent op wedstrijdroeien;
  • een belangrijke rol voor vrijwilligers;
  • een bescheiden werkorganisatie gericht op ondersteuning van de vrijwilligers.

De meeste roeiers en de grootste verenigingen bevinden zich traditioneel in de Randstad (64%).

1.2 Roei-aanbod

De leden van de KNRB organiseren wedstrijden, roei-ontmoetingen met wedstrijdkarakter, competities en toertochten. Ook worden er wedstrijden voor de roeiergometer georganiseerd, zoals de Open Nederlandse Ergometer Kampioenschappen (ONEK). Zelf organiseert de bond de Nationale Kampioenschappen en verschillende toertochten en zomer-kampen.

Het hele jaar vinden er roei-evenementen plaats, van half december tot half februari is er een korte winterstop wat betreft wedstrijden voor het buitenseizoen. De belangrijkste nationale wedstrijden, meestal over twee kilometer, vinden plaats van maart tot en met juni. De Heineken Roeivierkamp en de Head-of-the-river, de zogenaamde openingsklassiekers op de Amstel, behoren tot de bekendste wedstrijden over méér dan twee kilometer. Dè internationale wedstrijd in Nederland is de Koninklijke Maas Holland Beker. Het wedstrijd-seizoen wordt afgesloten met internationale toernooien in juli en/of augustus voor de jonge junioren (t/m 16 jaar) en voor 8-senioren (tot en met 22 jaar) en met wereldkampioen-schappen voor junioren (t/m 18 jaar) en A-senioren (23 jaar en ouder).

1.3 De roeiers

Er zijn ongeveer 21.500 roeiers aangesloten bij de leden van de KNRB. Bij de senioren zijn er ongeveer duizend wedstrijdroeiers (5%). Zij trainen minimaal vier keer oer week, subtoppers trainen minstens één keer per dag. De toppers vormen de nationale equipe: zo’n tachtig roeiers die twee a drie keer per dag trainen. Van de 1900 junioren nemen er circa 230 deel aan de regionale en nationale wedstrijden. Een onbekend aantal senioren en masters doet mee aan de diverse competities, roei-ontmoetingen met wedstrijdkarakter en toertochten*1). De aangesloten roeiers zijn onder te verdelen in junioren (tot en met 18 jaar), senioren (ouder dan 18 jaar, geen lid van een studentenvereniging) en de studenten (lid van een studentenroeivereniging). De senioren zijn verreweg de grootste groep leden, gevolgd door de studenten.

*1) De meeste van deze evenementen worden georganiseerd door regionale bonden en verenigingen. De bemoeienis van de bond is hier beperkt en over de aantallen deelnemers zijn geen landelijke gegevens. Aan de toertochten die de KNRB zelf organiseert doen jaarlijks ongeveer tweehonderd deelnemers mee.

2 PROFIEL TOPROEIEN

2.1 Internationaal

Roeien is sterk ontwikkeld in Europa, Noord-Amerika en Australië. Roeien is in opkomst in Azië, met name in China. Op het Afrikaanse continent is de draad weer opgepakt in ZuidAfrika en Egypte. Tot medio de jaren vijftig werden kampioenschappen gedomineerd door de traditionele roeilanden. Toen kwam de opmars van het Oostblok. Hun overmacht heeft geduurd tot in de jaren tachtig. Met het uiteenvallen van het Oostblok zijn meer landen de sport professioneel gaan aanpakken. Daartoe mede in staat gesteld door de verspreiding van de kennis uit het Oostblok over de wereld. De medaillestrijd speelt zich dan ook af tussen een groeiend aantal landen. In Atlanta namen 44 landen aan het toernooi deel, 16 landen haalden een medaille.

Sterke Europese roeilanden zijn Duitsland, Italië en Groot-Brittannië. Dan zijn er nog enkele kleinere roeilanden (Zwitserland, Frankrijk, Denemarken en Noorwegen) die met één of twee topboten meedingen naar de medailles. De voormalige Oostbloklanden melden zich na kortdurende terugval opnieuw aan de top, vooral in het damesroeien. Voeg daar aan toe de Verenigde Staten, Canada, Australië en China en het wordt duidelijk hoe breed en sterk de internationale top is.

Bij de goede roeilanden staat een centrale aanpak voorop. Australië is daarbij het verst ontwikkeld, ondanks de grote afstanden die overbrugd moeten worden. Zij willen zelfs een tweede centrum ontwikkelen. Australië kent een enorme aanwas vanuit het schoolroeien. In Duitsland en Italië vindt de aanwas plaats vanuit het juniorenroeien. In Noord-Amerika is het studentenroeien sterk ontwikkeld en zijn er professionele coaches beschikbaar.

Nederland valt internationaal op doordat het als klein land de laatste jaren meedoet in de grote nummers en met succes! Daarvoor was er al een rijke scullerstraditie. De gouden medailles op de Olympische Spelen van 1968 en 1988 waren respectievelijk in de skif en de dubbel-twee. Nederland is er in geslaagd zowel roeiers als coaches lang vast te houden. Van het begeleidingsteam zijn twee hoofdcoaches en de chef d’equipe al meer dan tien jaar bij elkaar. In de aanloop naar Atlanta is Nederland toegegroeid naar een centrale aanpak. Daarbij is er het voordeel van de korte afstanden in Nederland.

Alle grote landen doen jaarlijks mee aan de wereldkampioenschappen. Ook voor junioren (tot en met 18 jaar) is er jaarlijks een wereldkampioenschap. Daarnaast treffen de ploegen elkaar jaarlijks in Luzern op de Rotsee regatta, het Mekka van de roeisport. De wereldroei-bond (FISA) start volgend jaar met een wereld cup circuit. Daarvoor zijn naast Luzern de wedstrijden aangewezen in Parijs en Muenchen

2.2 Nationaal

Roeien is van oudsher een amateursport. Medio jaren tachtig vond een grote stap plaats naar professionalisering door de aanstelling van René Mijnders als trainingscoordinator. Nederland behaalde op wereldkampioenschappen al snel een aantal finaleplaatsen in plaats van een enkele. In 1988 was er olympisch goud voor Rienks en Florijn en er werden enkele wereldtitels gehaald. Op de Spelen van 1992 bleek echter dat er meer nodig was. De professionalisering heeft na dat jaar dan ook een enorme stap voorwaarts gemaakt. Er is gekozen voor een nog verder gaande professionalisering op basis van het plan “Goud in Atlanta”. Met steun van NOC*NSF kwam er ruimte voor een extra professional en konden bovendien meer trainingskampen worden georganiseerd. Een veel meer centrale aanpak toonde zichtbaar resultaat. In het laatste half jaar voor de Olympische Spelen hebben de sporters de ruimte gekregen om zich geheel op hun sport te richten. Het resultaat was er naar, ondanks een enkele tegenvaller. Na de medailles op de wereldkampioenschappen 1994 en 1995 waren er nu drie Olympische medailles. Met als hoogtepunt de triomf in het koningsnummer de acht. Daarnaast behaalde de heren twee met stuurman brons op de wereldkampioenschappen niet-Olympisch. De aanstelling van een hoofdcoach junioren heeft in 1996 geleid tot een gouden medaille voor de meisjes dubbelvier.

Het Nederlandse toproeien kent twee belangrijke instromen van talent: vanuit de junioren en vanuit het studentenroeien. Het op peil brengen en houden van beide stromen is van vitaal belang voor het toproeien op lange termijn. De huidige equipe bestond bij de mannen voor 85% uit roeiers die ook al op juniorleeffijd zijn begonnen. De andere 15% is pas in de studententijd begonnen. Bij de vrouwen is 30% afkomstig uit de junioren en 70% uit de studenten. Vorig jaar is begonnen met de opzet van een eigen systeem van talentontwikkeling van junioren. Verder is de aandacht voor de junioren de afgelopen jaren geïntensiveerd. Dit heeft geleid tot goede resultaten op de junioren WK. De instroom vanuit de studentenverenigingen wordt door toenemende studiedruk bedreigd. Er is bij studentenverenigingen veel uitval van roeiers na het eerste jaar. De velden voor tweedejaars en ouder zijn uitgedund.

3 EVALUATIE ATLANTA 1996

Volgens veel internationale coaches is de winnaar van de heren 8+ ook de winnaar van de Olympische spelen. Als graadmeter voor de prestaties is de medaillelijst echter beter geschikt. De drie Olympische medailles plaatsen ons zesde op de medaillelijst achter Australië(6), Duitsland(4), Roemenië(2), Zwitserland(2 goud) en Canada(6). We staan boven toonaangevende landen als Denemarken, Groot Brittannië, Italië en de Verenigde staten. Zes van de negen ingeschreven ploegen behaalden een finaleplaats. Daarmee bereikten we een vijfde plaats achter Australië(10/13), Canada(8/10), Duitsland(8/14) en de USA (7/13) en de rest. Groot Brittannië plaatste maar 3 van de 10 ploegen voor de finales.

In de evaluatie zijn de volgende sterke punten naar voren gekomen:

a) De periode tot aan het Olympisch jaar:

  • centralisering van training op de Bosbaan;
  • ondersteuning van NOC*NSF, KIWA, Wavin, en de toeleverende verenigingen op vele gebieden;
  • goed roeimateriaal voor de equipe;
  • uitbreiding van de coachstaf tot drie hoofdcoaches en drie assistentcoaches;
  • de kennis en ervaring van betrokkenen bij toproeien;
  • de inzet van vrijwilligers in de coaching, begeleiding en besturing van de equipe.

b) De periode vanaf 1 januari 1996 tot en met de Spelen:

  • vrijmaken van atleten voor roeien door NOC*NSF;
  • goede planning van trainingskampen en internationale wedstrijden;
  • verblijf buiten het dorp in een hotel vlakbij de baan.

Het voorbereidingsprogramma en de faciliteiten waren in de ogen van de technische staf bijna perfect.

Daarnaast zijn er een aantal gebieden te onderscheiden die verbetering/aandacht behoeven bij een volgende Olympische cyclus:

  • zodanig vroeg selecteren dat de selectie de laatste Olympische voorbereiding niet doorkruist;
  • verdeling van aandacht en middelen in het Olympisch jaar tussen gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde boten;
  • tijdige financiële planning.

4 DOELSTELLING: OOK GOUD IN SYDNEY

De ambities blijven onverminderd gericht op het halen van een gouden medaille op de Olympische Spelen. Het is bijzonder speculatief reeds nu de nummers te identificeren waarin kansen zijn op een medaille. De wereldkampioenschappen in 1998 geven een meer accurate indicatie van de kansrijke nummers. Vooralsnog blijft de aandacht breed gericht. We verwachten de volgende ontwikkelingen in de groepen.

Mannen boordroeien

Vooropgesteld: het is na de oorlog maar éénmaal voorgekomen in de Olympische geschiedenis dat een land tweemaal achter elkaar goud haalde in de mannen acht. De komende jaren zal hier behoorlijk veel ontwikkelingswerk gedaan moeten worden om een kansrijke Holland Acht 2 samen te stellen. En het kan ook zijn dat we in 1997 of in 1998 besluiten ons te concentreren op de vier-zonder. Echter het vormen van een acht is de inzet. Daarbij is het veld van de vier-zonder internationaal net zo sterk zo niet sterker bezet dan de acht.

We zullen het boordroeitalent moeten identificeren en ontwikkelen. We verwachten dat een aantal roeiers uit de oude Holland Acht doorgaan. Daarnaast hebben zich vijf gegadigden met potentie aangediend. Of een Holland Acht er komt hangt af van de kwaliteit en de ambitie van de roeiers.

Mannen scullen

Van de huidige groep scullers zullen er twee doorgaan, twee gaan boordroeien en twee boordroeiers gaan scullen. De totale groep is talentrijk. Hoe deze potentie zich ontwikkelt is afhankelijk van of de ervaren atleten doorgaan en hoe de talenten zich ontwikkelen.

Mannen lichte boordroeien

De lichte vier-zonder heeft zich niet gekwalificeerd voor de Olympische Spelen. De verwachting is dat van de huidige selectie de helft doorgaat. Er wordt gezocht naar versterking van de huidige groep zodat de totale kwaliteit van de groep verbeterd. Daarbij wordt ook meer structureel gekeken naar de selectiecriteria voor lichte boordroeiers bij de equipe en bij de verenigingen. De perspectieven voor Sydney zijn afhankelijk van een verdere ontwikkeling van het lichte boordroeien over de gehele linie.

Mannen lichte scullen

Aardewijn en van der Linden gaan door met toproeien. Het is de vraag of ze beide nog vier jaar doorgaan. De perspectieven voor deze groep zijn gunstig zolang Pepijn Aardewijn doorgaat met roeien. Wanneer hij ophoudt zal er in de nieuwe lichting een uitzonderlijk talent moeten zitten om kansrijk te zijn voor Sydney.

Vrouwen boordroeien

Over de prestaties op de Olympische spelen zijn ploeg en coaches teleurgesteld. Voor een groep die sinds drie jaar pas weer internationaal meetelt is het een normaal resultaat. De Vrouwen Acht heeft door de opgedane ervaringen een goede uitgangspositie voor Sydney. Van de huidige Vrouwen Acht stoppen vooralsnog de meeste met toproeien. De Vrouwen Acht zal aangevuld moeten worden. in Nederland is een groot potentieel aan grote vrouwen voor het boordroeien. Het programma van talentidentificatie en -ontwikkeling moet het potentieel verder ontwikkelen. De groep boordroeiers zou in het Olympisch jaar nog versterkt kunnen worden door ervaren scullsters toe te voegen aan de groep.

Vrouwen scullen

Wanneer Eeke van Nes en Irene Eijs, naar verwachting, doorgaan met toproeien is de groep scullsters bijzonder sterk. De groep zal in de loop van de jaren aanvulling krijgen met talentvolle juniorenscullsters (wereldkampioen in 1996 bij de junioren dubbel-vier).

Vrouwen lichte scullen

Deze groep zal in sterkte toenemen. Het gat na het afscheid van Laurien Vermulst van het toproeien zal opgevuld worden door roeisters uit de huidige groep aangevuld met talentvolle roeisters uit de senior B teams.

5 HOE DE DOELSTELLING TE BEREIKEN?

Het resultaat van Atlanta herhalen of verbeteren vergt een nog grotere inspanning van alle betrokkenen dan de afgelopen jaren al is verricht. Inspanningen die zich moeten richten op een goede accommodatie om te trainen, topcoaches voor de begeleiding, topmateriaal en een voortdurende instroom van talenten die de tijd vrij kunnen maken om te trainen. Deze voorwaarden zijn geformuleerd in de volgende vijf speerpunten:

  • De Bosbaan nationaal trainingscentrum;
  • professionele coaching;
  • topmateriaal;
  • talentontwikkeling;
  • maatschappelijke begeleiding.

Naast deze speerpunten zijn er drie randvoorwaarden die vewuld moeten worden: medische begeleiding, besturing van het toproeien en financi‰n. Deze worden in de verdere hoofdstukken behandeld.

5.1 De Bosbaan: nationaal trainingscentrum

De centrale aanpak in de aanloop naar Atlanta is van waarde gebleken. De hoofdcoaches van de KNRB konden zo effici‰nt worden ingezet. Kiezen voor een centrale aanpak betekent ook de atleten ondersteuning bieden om centraal te kunnen trainen.

Voor de verdere ontwikkeling van de Bosbaan als nationaal trainingscentrum zijn de volgende faciliteiten nodig:

  • volledige beschikbaarheid Bosbaan voor trainingsdoeleinden;
  • meer loodsruimte;
  • indoor trainingsfaciliteit roeiers;
  • werk- en bespreekruimten voor de coaches.

In de komende Olympische cyclus zal de Bosbaan verbreed worden. Dit betekent extra mogelijkheden voor de realisering van de benodigde faciliteiten. Daarnaast zal de Bosbaan beperkt beschikbaar zijn gedurende de periode van verbreding. Nauwkeurige afstemming van programma en werkzaamheden zijn geboden.

5.2 Professionele coaching

Na Barcelona 1992 heeft de KNRB zich ingezet voor meer professionele coaching van de equipes. In die periode tot Atlanta is de technische staf uitgebreid van 1.5 fte tot 3.6 fte. Dit was e’e’n van de succesfactoren in Atlanta. Wel blijkt dat coaches niet teveel ploegen moeten hebben. Naarmate een coach meer ploegen heeft moet hij zijn aandacht verdelen over de ploegen. Een optimale begeleiding van een ploeg komt dan onder druk te staan.

Het beleid voor professionalisering van de begeleiding wordt voortgezet. In 1997 wordt gewerkt met drie hoofdcoaches en een coach op projectbasis. Vanaf 1998 wordt gestreefd naar uitbreiding van de coachstaf. Vanaf de wereldkampioenschappen 1999 zal de beschikbare coaching geconcentreerd worden op boten die prioriteit hebben voor de KNRB.

Het feit dat tegenover coachen veelal geen vergoeding staat in het roeien op verenigingsnivo is een beperking voor het ontwikkelen van het coachnivo. Het wordt nog te weinig gezien als een vak. In het kader van dit plan kan aan die beperking geen aandacht worden gegeven. Opleidingen, bijscholingen e.d. moeten hierop inspelen. Een bescheiden professionalisering zou het coachen in het roeien wel aantrekkelijker maken.

5.3 Topmateriaal

in de aanloop naar Atlanta heeft de KNRB van een topvloot gebruik kunnen maken door steun van NOC*NSF, Wavin, KIWA, verenigingen en oud-leden. Dit was een belangrijke succesfactor in de voorbereiding. We hebben voor de komende periode ieders ondersteuning hard nodig.

Een topvloot is een eerste voorwaarde voor toproeiprestaties. We willen de vloot vernieuwen en uitbreiden door:

  • boten voor de grote nummers (4 en 8+) met behulp van sponsors en NOC*NSF aanschaffen;
  • boten voor de kleine nummers met behulp van verenigingen en oud-ledenverenigingen aanschaffen of huren.

Het aangeschafte materiaal wordt tijdig vervangen en dan verkocht binnen de Nederlandse roeiwereld. Het geeft de verenigingen de gelegenheid topschepen te kopen. Verenigingen hebben voorrang bij de aankoop van de boten. We willen verder een plan voor investering in de vloot opzetten voor bedrijven.

5.4 Talentontwikkeling

Voor het toproeien zijn twee instromen van belang: de instroom vanuit de junioren en vanuit de studentenverenigingen.

In 1995 is gestart met de ontwikkeling van regionale talentcentra voor junioren. Deze centra staan onder leiding van de hoofdcoach junioren. Dit project richt zich op een bredere, structurele en kwalitatief betere instroom van junioren naar de Olympische equipe. Het project werpt nu al zijn vruchten af. De juniorenequipe heeft de laatste twee jaren drie medailles behaald op de wereldkampioenschappen. De komende jaren zullen de talentcentra zich zodanig moeten ontwikkelen dat junioren opgeleid worden voor het medaillenivo op wereldkampioenschappen.

Extra aandacht is nodig voor talentontwikkeling bij de studentenverenigingen. We willen op twee manieren de instroom verbeteren:

  • identificatie van talenten

We willen talenten identificeren in het tweede- en derdejaarsveld. Identificatie op basis van: ergometerscore, wedstrijdobservatie, bezoek aan verenigingen, aanbeveling van de verenigingscoaches en een trainingskamp aan het einde van het nationale wedstrijdseizoen.

  • Ontwikkeling van talenten

Talenten krijgen de mogelijkheid om samen met de equipe te trainen tijdens trainingskampen in de winter en aan het einde van het wedstrijdseizoen. Talenten krijgen bij goede prestaties de kans zich te plaatsen voor de equipe (late selectie). Voorwaarde is een goed samenspel tussen verenigingen en equipe. De hoofdcoaches helpen de verenigingen bij het verhogen van het nivo van het wedstrijdroeien. Dit door bezoek aan de verenigingen, meer communicatie met de coaches. Het wedstrijdseizoen van de verenigingen wordt niet doorkruist. De meest talentvolle atleten moeten vanaf half juni beschikbaar zijn voor de equipe. Na een seizoen internationaal roeien keren de atleten, ongetwijfeld beter, terug naar de vereniging. Dit traject wordt opgezet voor 1997 en 1998.

5.5 Toproeien. studeren en werken

Roeien is een sport waar atleten tot in de dertig topprestaties kunnen leveren. Concentratie, af kunnen zien en discipline zijn vaardigheden die ervaren atleten beter beheersen. Veel toproeilanden hebben dit al ingezien en hebben faciliteiten voor de ewaren atleet. Faciliteiten zoals aangepaste banen, prestatiepremies c.q. een pensioenvoorziening. We willen een dergelijk programma ook in Nederland ontwikkelen. Een atleet die voor toproeien kiest begint later aan zijn maatschappelijke carriŠre. Door het programma willen we de effecten van deze keuze compenseren. Een toproeier moet zich volledig kunnen ontwikkelen in zijn studie en in zijn werk. Met ervaren atleten, de Atlanta-gangers, maken we een vier jaren planning waarin hun inspanningen worden gereguleerd. In het post-Olympisch jaar krijgt het werk voorrang. De atleet hoeft alleen in goede conditie te blijven. In het tweede jaar na de Spelen systematische training en enkele wedstrijden. Derde jaar roeien op de WK en kwalificatie voor de Spelen. De laatste 6 tot 7 maanden van het Olympische jaar wordt de atleet vrijgemaakt voor de Olympische voorbereiding.

Wat betreft de aangepaste banen hebben NOC*NSF en sponsor KIWA hier voor Atlanta in voorzien. We willen het aanbod vergroten door:

  • uitbreiding van NOC*NSF aanbod stimuleren;
  • bedrijven te benaderen;
  • beslissers met roeiaffiniteit in het bedrijfsleven te benaderen.

Voor al deze onderdelen is NOC*NSF een belangrijke leverancier. Ook universiteiten hebben de laatste jaren faciliteiten gecre‰erd voor topsporters. Echter de KNRB heeft een eigen verantwoordelijkheid om het programma te ontwikkelen en te beheren.

6 MEDISCHE ZORG EN ANTl-DOPING

De medische zorg voor toproeiers de afgelopen jaren heeft zich gericht op:

  • doping- en blessurepreventie;
  • medische en paramedische begeleiding bij wedstrijden;
  • periodieke medische controle;
  • behandeling van blessures;
  • testen van conditie en belasting (zgn. lactaattesten) en geven van trainingsadviezen;
  • gewichtscontrole en verantwoord afvallen.

De medische zorg zal hier ook in de toekomst op gericht zijn. Waarbij de preventie van blessures de hoogste prioriteit heeft. De medische consumptie moet zo laag mogelijk blijven. Belangrijkste instrument is het testen van de conditie en de belasting en het geven van trainingsadviezen. Mede door het testprogramma voor Atlanta is voor de Holland Acht een aangepast trainingsprogramma ontwikkeld. Dit programma stelt roeiers in staat specifiek op de wedstrijd te trainen met een aerobe belasting.

De sportmedische zorg ziet de KNRB als een aanvulling op de basiszorg die in Nederland beschikbaar is voor iedereen. Het is geenszins de bedoeling dat deze medische zorg overgenomen wordt door de sportmedische zorg. Een punt van aandacht is de wijze van organisatie van sportmedische zorg. Deze organisatie dient afgestemd te zijn op het programma. Gecentraliseerd wanneer de training vooral gecentraliseerd zijn en vice versa. Verder verdient de uitwisseling van medische informatie nadere aandacht. Uitwisseling tussen de artsen van de verschillende equipes en tussen verschillende behandelende artsen en tussen artsen en coaches. De bondsarts vervult hierin een centrale co¢rdinerende rol.

Toproeien is in Nederland een schone sport. Nog nooit is een Nederlandse roeier betrapt op het gebruik van dopinggeduide middelen. We willen dat graag zo houden. De FISA kent al jaren een adekwaat systeem van controles bij wedstrijden en out-of-competition controles. Het streven van NOC*NSF naar “schone Spelen” heeft ook geleid tot out-of-competitioncontroles en, uiteindelijk, tot een “schone” roeiequipe. We onderstrepen de intenties van FISA en NOC*NSF om de sport dopingvrij te houden. We willen naar eigen vermogen hieraan bijdragen. Maar willen wel zoveel als mogelijk gebruik te maken van de faciliteiten die de FlSA en NOC*NSF hiervoor bieden. De roeibond is een relatief kleine sportbond en heeft niet veel mogelijkheden eigen expertise en faciliteiten op te bouwen. Verder moet overlap worden voorkomen. Wel zetten we ons in voor preventie, informatie en medewerking aan controles.

7 BESTUUR, COMMISSIE TOPROElEN, MANAGEMENTTEAM

We willen het beste management voor de equipe. Daarvoor is een goed samenspel nodig tussen bestuur, commissie toproeien en het managementteam.

De rolverdeling tussen bestuur en cor;,missie toproeien is als volgt. Het bestuur is tegenover de leden verantwoordelijk voor het gehele beleid, dus ook voor het toproeien. De beslissingsbevoegdheid en de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor de uitvoering en budgetbeheer is materieel gedelegeerd aan de Commissie Toproeien (CTR), bestaande uit gemiddeld vier leden. De voorzitter van deze commissie is lid van het bondsbestuur. De professionele trainers vallen formeel onder het bestuur, functioneel werkgever is de CTR, daarbij nauw gesteund door de directeur van de roeibond. Hoofdcoaches, chef d’equipe en directeur vormen samen het managementtearn dat verantwoordelijk is voor de operationeie organisatie van het toproeien. Jaarplanning en uitzendingen worden door dit team voorbereid, ter toetsing aan de CTR voorgelegd en uitgevoerd. In de aanloop naar Atlanta hebben betrokkenen een effectieve vorm gevonden om met elkaar samen te werken. Ondanks de schaalvergroting bij het toproeien de afgelopen jaren zijn de lijnen kort gebleven. Daar tegenover staat dat in enkele gevallen onduidelijkheid in de besluitvorming ook heeft geleid tot verkeerde verwachtingen bij de atleten.

Cruciaal voor het beste management van de equipe zijn:

  • een goede planning van activiteiten (organisatorisch en financieel);
  • snel aan kunnen passen aan veranderende omstandigheden;
  • geaccepteerde besluitvorming;
  • betrouwbare informatie naar de equipe.

Al deze factoren kunnen verder verbeterd worden ten opzichte van de Atlantacyclus.

Het directe organisatorische management van de equipe rondom en tijdens uitzendingen is de verantwoordelijkheid van de chef d’equipe. Deze wordt ondersteund door het bondsbu- reau. De spelen van Atlanta hebben uitgewezen dat een chef d’equipe daar 0.5 fte mee bezig is. Met daarbij nog eens 0.6 fte ondersteuning van het bureau. Deze tijd zal in ieder geval vrijgemaakt moeten worden in het Olympisch jaar, bij voorkeur op betaalde basis. In jaren voorafgaand aan de spelen zal naar deze capaciteit toegewerkt moeten worden.

8 VERENIGINGEN, NOC*NSF EN SPONSORS

8.1 NOC*NSF

De sportkoepel neemt steeds meer een centrale plaats in, in de Nederlandse sport. De e’e’n-loket-gedachte wordt geleidelijk gerealiseerd. NOC*NSF is de spin in het web van topsport. De steun van NOC*NSF is essentieel geweest voor de roeibond. We willen open zijn en blijven wat betreft selectie. We willen een reëel beeld geven van de kracht van ploegen. Een en ander werkt door bij de subsidie-aanvragen. Zie het hoofdstuk “Financiering”. De ondersteuning van NOC*NSF heeft zich niet louter beperkt tot de financie”n. De ondersteuning van Hans Jorritsma heeft geholpen, door zijn kennis van topsport. NOC*NSF heeft verblijf buiten het dorp gerealiseerd. En zo zijn er meer momenten waarop met de KNRB is meegedacht. Ook hier kunnen we het samenspel tussen KNRB en NOC*NSF verbeteren. Essentieel is ook hier goede planning, wederzijdse kennis van elkaars wijze van besluitvorming en betrouwbare informatie geven. Wel wil de bond expliciet ruimte om ons eigen beleid te voeren. Het motto van het nieuwe sportbeleid van NOC*NSF en de overheid is van “stoelen naar doelen”. Dat betekent volgens ons dat de roeibond zelf verantwoordelijk is voor zijn topsportbeleid. NOC*NSF toetst op hoofdlijnen.

8.2 Sponsors

Ondanks herhaalde pogingen is het niet gelukt een hoofdsponsor te vinden voor de equipe. De afgelopen jaren is het concept om sponsors te verbinden met boten en ploegen succesvol geweest. Wavin en KIWA hebben de beide achten gesponsord, voornamelijk door boten te financieren. Verder zijn Helly Hansen, Concept II en Forgeot, Weeks en Krijtenburg als “official suppliers” verbonden aan de roeibond. Helly Hansen heeft isolerende onderkleding geleverd en Concept II roeimateriaal. Forgeot, Weeks en Krijtenburg adviseren equipeleden over hun carrière.

De wijze waarop KIWA zijn sponsoring heeft benut is baanbrekend geweest voor het roeien. Sponsoring van de Holland Acht is een gouden greep geweest voor het bedrijf. KIWA heeft vooral door hun eigen inspanningen samen met de roeiers en de chef d’equipe er iets speciaals van gemaakt. Het resultaat bevestigt wat we altijd al dachten: het imago van roeien leent zich uitstekend voor associatie met bedrijven. De sponsoring van Wavin is voor de Vrouwen Acht belangrijk geweest. De benodigde faciliteiten konden gecreëerd worden. Doordat de Vrouwen Acht buiten de medailles is gevallen is Wavin als sponsor bij de Olympische Spelen minder in beeld geweest. Letterlijk en figuurlijk.

Roeien is wel een grote Olympische sport is maar geen grote topsport. Naarmate de Spelen dichterbij komen neemt de interesse van sponsors toe. We concluderen dat in het geheel bezien roeien te klein is voor substantiële sponsoring. We richten ons er op sponsoren aan te trekken voor projecten die via de normale kanalen niet of onvoldoende te realiseren zijn.

8.3 Verenigingen

De ondersteuning van de verenigingen is van belang geweest voor de financiering van toproeien via de inkomsten uit contributie, de aanvoer van toproeiers en de huur van materiaal. Maar meer in algemene zin is de support van de verenigingen voelbaar geweest door het enthousiasme over de roeiprestaties. Altijd na een geslaagde WK maar vooral ook nu na Atlanta geven verenigingen aan dat ze aanmeldingen binnen krijgen.

Verenigingen werken een overgang van een roeier naar de equipe niet tegen vanuit het besef dat een roeier van de equipe de beste faciliteiten krijgt. Verenigingen zien in dat het in het belang van de roeier is en dus ook in het belang van de vereniging is (bekendheid, goede naam). Dit is een sterk punt van toproeien in vergelijking met andere sporten. Verenigingen die roeiers leveren voor de equipe zijn tegelijkertijd bezorgd over de verbinding tussen de roeier en de betrokken vereniging. Zeker verenigingen die buiten de Randstad liggen. Een roeier van de equipe is nauwelijks nog zichtbaar op een vereniging. We willen nader bezien hoe we hieraan als bond iets kunnen doen. We willen in ieder geval jaarlijks met de toeleverende verenigingen van gedachten wisselen over het toproeien.

9 TOPROEIEN ALS INSPIRATIEBRON

Topprestaties zorgen ervoor dat roeien op de sportkaart van Nederland staat. Niet voor niets kennen we een centrale plaats toe aan toproeien (zie het beleidsplan “Roeien: Top voor iedereen”). We willen voor de ontwikkeling van het roeien in de bond als volgt gebruik maken van toproeien:

  • verspreiding van kennis en ervaring voor technisch kader;
  • aantrekken en behouden van nieuwe leden;
  • genereren van publiciteit.

Het project Atlanta heeft geleerd dat we als roeibond moeten investeren om de effecten van toproeien over de gehele breedte door te laten werken. Daar willen we in de aanloop naar het jaar 2000 capaciteit voor vrijmaken.

10 FINANCIERING

In bijlage IV (nog niet beschikbaar op NLroei) staat een overzicht van de financiën. Het overzicht laat zien dat de inspanningen toenemen naarmate de Spelen naderen. Dit vooral als een gevolg van een uitbreiding van de uitzendingen naar wedstrijden en trainingskampen.

10.1 Uitzendinqen en begeleiding

Voor de uitzendingen van de equipe en de begeleiding zijn naast de KNRB drie financiers van belang: SNS, NOC*NSF en VWS. We zullen hiervoor ook de komende tijd een beroep op hen doen. Een bedreiging voor de financiering zijn de immer voortschrijdende bezuini- gingen van de overheid. Verder ziet de KNRB graag dat bij SNS de omslag naar financiering van activiteiten op basis van plannen en de resultaten van die plannen doorgezet wordt. Het aandeel dat uit de contributies naar toproeien gaat heeft in wezen zijn maximum bereikt. Een verhoging van dit aandeel ligt niet in de verwachting. Beschouwen we ook de indirecte kosten die gemaakt worden voor toproeien en gefinancierd worden door de contributiegelden dan komen we op een aandeel van ruim 50%. De begroting van het wedstrijdwezen voor 1997 maakt duidelijk dat zonder extra inkomsten het normale programma van uitzendingen niet verwezenlijkt kan worden. Deze inkomsten zijn bijzonder hard nodig en de KNRB zal zich bijzonder inspannen deze inkomsten te genereren.

10.2 Speciale projecten

Zoals vermeld we willen sponsors aantrekken voor faciliteiten die niet direkt via andere kanalen te realiseren zijn. We denken daar bij op korte termijn aan twee projecten:

  • de opbouw van een topvloot;
  • faciliteren van de maatschappelijke carrière van equipeleden;
  • vanaf 1998 wanneer meer duidelijk is over de Olympische kanshebbers en de interesse in toproeien weer toeneemt willen we financiers interesseren voor uitgebreide ploegsponsoring.

Bijlage I : Ranglijst n.a.v. Atlanta

Rang Land Aantal boten Finale plaatsen Brons Zilver Goud Totaal
1 Australië 13 10 3 1 2 6
2 Duitsland 14 8 1 1 2 4
3 Roemenië 8 3 0 0 2 2
4 Zwitserland 4 3 0 0 2 2
5 Canada 10 8 1 4 1 6
6 Nederland 9 6 1 1 1 3
7 Denemarken 5 5 1 0 1 2
8 Groot-Brittannië 10 3 1 0 1 2
9 Wit Rusland 4 2 1 0 1 2
10 Italië 10 5 0 0 1 1
11 Verenigde Staten 13 7 1 3 0 4
12 Frankrijk 8 4 3 1 0 4
13 Oekraïne 5 1 0 1 0 1
14 Cgina 6 2 0 1 0 1
15 Noorwegen 5 2 0 1 0 1
16 Rusland 6 2 1 0 0 1

Bijlage II : Overzicht Olympische- en WK-nummers

Discipline Wereldkampioenschappen Olympische Spelen
Heren Boordroeien 8+ 4- 2- 4+ 2+ 8+ 4- 2-
Heren Lichte Boordroeien 8+ 4- 2- 4-
Heren Scullen 4x 2x 1x 4x 2x 1x
Heren Lichte Scullen 4x 2x 1x 2x
Dames Boordroeien 8+ 4- 2- 8+ 2-
Dames Lichte Boordroeien 2-
Dames Scullen 4x 2x 1x 4x 2x 1x
Dames Lichte Scullen 4x 2x 1x 2x

Bijlage III : Programmering

Senioren-A 1997 1998 1999 2000
Basis activiteiten Begeleiding
Materiaal
FISA-World Cup
2 Trainingskampen (TK’s)
Begeleiding
Materiaal
FISA-World Cup
2 TK’s
Begeleiding
Materiaal
FISA-World Cup
2 TK’s
Begeleiding
Materiaal
FISA-World Cup
2 TK’s
Extra trainings-
kampen
Secilla
Bosbaan
München voor WK
Sevilla
Bosbaan
TK voor de WK
Sevilla
TK Hazewinkel/
Groningen 3 mndn (ivm verbreding Bosbaan)
TK Canada/VS
4 TK’s buitenland
TK Bosbaan voor 3 mndn (ivm ‘late’ Spelen)
TK Australië
WK Aiguebelette (FRA) Keulen (GER) St. Catharines (CAN) Zagreb (CRO)

 

Junioren 1997 1998 1999 2000
WK Hazewinkel (BEL) Ottensheim (AUT) Plovdiv (BUL) Zagreb (CRO)