Martine Veldhuis stopt: hoe de ene vierde plaats een dieptepunt kan zijn, en een andere de absolute top is  

Interview

Als je meer dan de helft van je leven hebt geroeid, is het ontegenzeggelijk een onderdeel van je bestaan. Maar deze week besloot de kersverse dokter Martine Veldhuis (29) ermee op te houden. Dat wil zeggen: ze blijft sporten, maar toproeien is een gepasseerd station. Ze heeft alle pro’s en contra’s op een weegschaal gelegd, de balans sloeg door naar stoppen. Veldhuis vertelt erover. Het is een verhaal dat vooral over veerkracht gaat.  

Haar roeistartpunt is Amycus, de Almelose vereniging waar ze met tweelingzus Marike ooit haar eerste halen maakte. “Ik was 12 jaar toen ik begon met roeien, bij Amycus dus. Ik vond het gelijk een heel leuke sport. Het was supermooi dat we naar de Coupe de Jeunesse mochten. Later vertrokken we naar Amsterdam om te studeren.  De middelbare school werd verruild voor een geneeskundestudie, de Coupe maakte plaats voor de WKU23. 

Het was allemaal prachtig. ik vond aansluiting bij de bondsequipe en trainde zogezegd onder hoofdcoach Josy Verdonkschot, Dat was in de aanloop naar Tokyo.  Reserve zijn voor de dubbel van Ilse Paulis en Marieke Keijser was mijn rol. Hoewel corona de kans op een invalbeurt levensgroot maakte, kwam dat er op het toernooi niet van. Gelukkig niet, dat wil ik er oprecht bij zeggen. 

Na afloop van de spelen dacht ik ‘dit wil ik over drie jaar ook’. Er kwam een nieuwe hoofdcoach, Eelco Meenhorst. Ilse en Marieke waren gestropt, gaandeweg werd duidelijk dat er geen Nederlandse lichte dubbeltwee naar Parijs zou gaan. Het werd skiffen voor mij, als lichte. Het was leerzaam en verfrissend om op een andere manier te trainen. Het seizoen van 2022 sloot ik af met WK-zilver in de skiff.

Het jaar erna – 2023 – was eigenlijk een aaneenschakeling van hoogte- en dieptepunten. Aanvankelijk zat ik, na goede wintertrials, in de dubbelvier in de open klasse, dus was er olympisch perspectief. De boot liep goed, maar na de EK kwam er plotseling een koerswijziging. Ik moest plaatsmaken en stapte weer over naar de lichte skiff.

Er was weinig voorbereidingstijd en er moesten nog wel vijf kilo’s af. In Belgrado was het voor de niet-olympische lichte nummers een ‘waaier-WK’. De wind stond schuin over de baan op het moment dat wij onze finales moesten varen. Oneerlijke omstandigheden dus. Terwijl de weersvoorspelling duidelijk liet zien dat het een dag later windstil en dus eerlijk zou zijn. Maar onze finales zijn helaas niet verplaatst. Ik betreur het dat men dat heeft nagelaten. Afijn: op de meest ongunstige boei was een vierde plaats het maximaal haalbare.

Ik heb er veel verdriet van gehad, ook in de dagen erna. Het weer was inderdaad veel beter geworden en de baan was vooral eerlijker. Achteraf denk ik dat mijn WK-finale symbool stond voor alles wat er dat seizoen allemaal speelde. Ik kan het samenvatten met twee woorden: net niet. 

Een seizoen later was het perspectief totaal anders: het olympisch jaar 2024. Ik werd uiteindelijk aan Lisa Scheenaard gekoppeld. Samen hebben we in de dubbeltwee koers gezet naar de Olympische Spelen. In Parijs groeiden we in het toernooi. We roeiden een fantastische halve finale en ook de A-finale was goed. We werden vierde. Dus geen beloning, maar wel voldoening. En waardering van kenners.

De échte voldoening is pas later bij mij ingedaald. Zo tussen alle Nederlandse roeiprestaties in Parijs had ik er in eerste instantie namelijk nog wel een ‘dubbel’ gevoel aan over gehouden. Lisa en ik hadden het er laatst nog over. Ik vroeg, ‘Hebben we de 1,02 seconde niet ergens in de race laten liggen?’ Dat was het verschil met brons. We denken van niet. Maar de vraag is eigenlijk onmogelijk te beantwoorden. 

Na Parijs heb ik mij vooral ingezet om mijn master geneeskunde te halen, dat is recent gelukt. Toen borrelde de vraag op wat ik verder moet. Nog een keer voor de Olympische Spelen gaan? In 2028 ben ik 31. Ooit wil ik een gezin, maar nu nog niet en ik wil mij nog verder oriënteren wat ik precies qua werk wil gaan doen en daarin vervolgens tijd investeren. Er zijn nog meer dingen in het leven dan alleen roeien. Andere sporten, bijvoorbeeld.  Alle zaken heb ik op een weegschaal gelegd en de balans sloeg door naar stoppen. En dat heb ik gedaan. Weloverwogen. 

Natuurlijk ga ik het missen, maar ik kan nu goed omgaan met het niet meer doelgericht sporten. Het knaagt niet meer aan mij als ik een dag, en soms wel twee, niet heb getraind. In Sevilla was ik als supporter aanwezig. Dat viel mij enorm mee, geen nare gevoelens gehad dat ik een verkeerde keus heb gemaakt, van dat ik aan de start had willen liggen, eigenlijk was het alleen maar leuk. En ben ik nog steeds blij met mijn keuze.”