Roeiers leven bij nostalgie. Ze zweren bij de tijden van weleer. Toen de boten van hout en de mannen van staal waren. Botentransport geschiedde niet per vrachtwagen, maar per trekschuit. Ergometers zonken omdat ze van lood en oud ijzer gemaakt waren, en als er dan op een roeimachine werd geracet dan tenminste nog over een afstand van 2.500 meter in plaats van 2.000. Vroeger, toen al dat getrain nog helemaal niet zo nodig was. Toen je als ‘amateur’ en verstokt roker prima olympisch roeikampioen kon worden. Vroeger, toen de Bosbaan tenminste nog een tribune had en nog niet zo ongezellig breed was als hij nu is. Toen er nog zonder stoplichten en met vlag werd gestart, gewoon in het Frans. Êtes-vous prêts, partez! “Vroeger”, zo riepen de oude bollebozen twee weekenden geleden in koor, “was alles beter.” In hun tijd werd de Head of the River immers nog de goede kant op verroeid, van Ouderkerk naar Amsterdam.
Er valt veel voor het romantische verleden te zeggen. Houten boten hebben hun charme. Het is niet voor niets dat er nog met veel plezier in overnaads materiaal wordt gestreden tijdens de Varsity, hoe achterhaald het principe van over elkaar gespijkerde latten ook is. Een houten scheepje ademt gewoon veel sfeer; meer passie en meer liefde dan een plastic schuit in ieder geval. Dat geldt ook voor een versleten wedstrijdjasje. Dat ruikt niet alleen naar schimmels, maar ook naar nostalgie. In dat veertig jaar oude, mottige kledingstuk zitten verhalen van vroeger verborgen. Die moet je er als bezorgde moeder niet uit willen wassen.
Maar soms is zo’n wasbeurt wel eens nodig, dan is een verfrissende blik gewenst in plaats van een muffige waas van nostalgie. Lang niet alles was vroeger namelijk beter. Zo’n houten boot met houten riemen gaat een stuk minder snel, bijvoorbeeld. Een overnaadse twee? Dat is leuk voor de Varsity, maar tijdens een Nederlands kampioenschap is het toch wel andere koek. Het is ergens wel gek om te bedenken dat Greg Searle, roeier in de huidige Britse mannenselectie, twintig jaar geleden een gouden olympische medaille won in een archaïsch nummer als de twee-met. We hebben het over 1992, toen de twee-met nog een olympische bootklasse was. Anno 2012 zouden we er niet meer aan moeten denken om twee roeiers en een stuurman een olympische medaille te geven.
Maar goed, er zijn wel meer dingen die vreemd zijn. Neem het Londense metrosysteem, de tube. De ondergrondse heeft namelijk een passend olympisch sausje gekregen. Tot en met de Spelen zijn de haltes niet vernoemd naar de locatie bovengronds, maar luisteren ze naar klinkende namen als Lebron James of Haile Gebrselassie. En roeien is natuurlijk ook van de partij. Liefst dertien roeiers en roeisters zijn tijdelijk vereeuwigd in het Londense metrosysteem: James Tomkins, John Kelly, Jack Beresford, Ekaterina Karsten, Agostino Abbagnale, Giuseppe Abbagnale, Carmine Abbagnale, Elisabeta Lipa, Georgeta Damian, Vyacheslav Ivanov, Pertti Karppinen, Steve Redgrave en Matthew Pinsent.
Het eerste wat opvalt op de nieuwe kaart? Dat er geen Nederlanders tussen staan. Duitsers trouwens ook niet. De Engelsen en de Italianen zijn het beste vertegenwoordigd met drie namen. Maar wat ook in het oog springt is het feit dat er tien mannen en slechts drie vrouwen een plekje op de lijst hebben gekregen. Alsof er geen grote olympische roeisters te vinden waren. Wat te denken van de zusjes Evers-Swindell? De Canadese Marnie McBean? Of de Duitse Kathrin Boron? En waarom geen lichte roeiers of roeisters? De indrukwekkende erelijsten van Eskild Ebbesen en Constanta Burcica worden vergeten. in plaats daarvan staan veelgelauwerde roeiers als Jack Beresford en John Kelly op de lijst – iconen van bijna honderd jaar geleden, toen roeien een totaal andere sport was. Onvergelijkbaar.
Misschien blijft het lichte roeien buiten beschouwing omdat het pas 16 jaar olympisch is. En blijven de vrouwen in de schaduw omdat ze 36 jaar geleden voor het eerst mee mochten doen aan de Olympiade. Allemaal veel te kortdag voor een vereeuwiging in het Londense metrosysteem. Dus besloten de hoge heren, grijs en oubollig als ze zijn, tot een stoffige lijst. Passend bij het nostalgische sfeertje dat ook nu nog over het roeien heen hangt. Want laten we wel wezen: zelfs nu, anno 2012, zijn er nog verschillen tussen mannen en vrouwen. De mannen hebben acht olympische bootklassen, de vrouwen zes. De lichte mannen mogen met twee boten strijden voor de eeuwige roem, de lichte vrouwen moeten het met één veld stellen. Hoewel het schijnt dat wereldroeibond FISA plannen aan het maken is om de mannen- en vrouwennummers gelijk te schakelen (zeven om zeven), zal het nog wel even duren eer het zover is. De conservatief ingestelde mannenwereld zou moord en brand schreeuwen. Voor sommigen ligt het schrappen van eerdergenoemde twee-met uit het olympische programma nog veel te gevoelig, hoe gek dat ook klinkt.
Nee, die mottige geur van het verleden heeft lang niet altijd positieve gevolgen. Maar het aparte is dat we dat gewoon vergeten. We doen alsof er niks aan de hand is geweest, alsof het logisch is. De Boat Race die bijna 200 jaar na de eerste wedstrijd pas na durft te denken over een prominente plek voor het vrouwenroeien? Ridicuul, maar ja, zo gaat dat nou eenmaal in Engeland. Roeiend Nederland dat over over elkaar heen rolde toen plan werd gevat om het parcours van de Head of the River om te draaien? Lichtelijk overdreven, maar niemand die dat op dit moment nog durft toe te geven.
Misschien moeten we daarom maar eens en voor altijd afrekenen met dat nostalgische trekje dat wij roeiers zo vaak tentoon spreiden. Laten we gewoon concluderen dat het roeien van vroeger niet beter was, maar gewoon anders. Laten we afspreken dat nostalgie geen steekhoudend argument is. Dat we moeten kunnen vernieuwen, veranderen, zonder dat het verleden daarbij een belemmerende rol speelt. Dan kunnen de verhalen van vroeger gewoon de verhalen van vroeger zijn zonder dat ze zich moeten meten met het hier en nu. Dat lijkt me in ieder geval een gezonde, minder muffe uitgangspositie.

