Het Nederlandse roeien zou het Nederlandse roeien niet zijn zonder wat opschudding. Net als in het voetbal staan de beste bondscoaches steevast niet langs de kant van de Bosbaan, maar zitten ze in de verenigingsgebouwen een biertje te drinken. Het seizoen 2008/2009 is niet anders: er was verbazing alom over de ontbrekende structuur binnen de roeibond. Maandenlang was er geen jaarprogramma te vinden en trainden bijvoorbeeld de lichte toproeiers zonder bondscoach. De eigenzinnigheid van de Nederlandse roeiers, de Hollandse nukkigheid misschien, zorgt vaak voor resultaten. De continue discussie over de beste methode, de twijfel over het nut van een bepaalde trainingsaanpak: allemaal inherent aan het Nederlandse roeien. Misschien ook wel inherent aan de successen die het roeien in ons kikkerlandje heeft gezien. Nu John Faulkner twee weken is aangesteld door de KNRB lijkt de tijd rijp om een gesprek aan te gaan met de eveneens eigenzinnige topsportcoördinator van de roeibond, Koen van Nol, en hoofdcoach zwaar René Mijnders.
Van Nol werd begin 2007 aangesteld om het toproeien van Nederland in goede banen te gaan leiden. In 1999 bestond de functie topsportcoördinator overigens ook al; toen had voormalig Olympisch kampioen Henk-Jan Zwolle de eer om het Nederlandse roeien een beetje meer structuur in te blazen. Het eerste jaar van zijn aanstelling zal van Nol, een voormalig judoka voor het Nederlandse team, hebben moeten wennen aan de manier van werken van de bondscoaches enerzijds en de KNRB anderzijds. Hij zag in Beijing een aantal successen, maar evenzo tegenvallers: een boven verwachting presterende Holland Acht, plus natuurlijk een gouden en zilveren medaille, maar daartegenover een uitschakeling van de Holland Vier in de halve finale en de lichte vier die ondanks een langdurig selectieproces geen potten kon breken in de finale.
Nog voor de Olympische Spelen echter waren begonnen werd door de KNRB al begonnen met een evaluatie van de Olympische cyclus, aldus van Nol. Op basis van deze evaluatie zijn speerpunten voor nieuw beleid geformuleerd. Er bleek behoefte aan verdere professionalisering en een structuur waar taken en verantwoordelijkheden duidelijker zichtbaar zijn en er een betere samenwerking is tussen coaches. Er is vervolgens gekozen voor een systeem waarbinnen een tweetal hoofdcoaches (licht en zwaar) werkzaam is.” Van Nol benadrukt verder dat de hoofdcoaches een meer sturende rol hebben ten opzichte van de bondscoaches die vooral uitvoerende taken hebben. Een Trias Politica, zo u wil, met van Nol als moderne volgeling van Montesquieu. Dat van Nol een voormalig rechtenstudent is laat zich evenwel niet meer raden.
“De[ze] nieuwe taakverdeling”, gaat van Nol verder, “vereist andere competenties van de coaches. Op grond van het functie- en competentieprofiel zijn we op zoek gegaan naar geschikte kandidaten voor de functies en hebben daarbij een wishlist gemaakt op basis van het ideaalplaatje. We zijn vervolgens topdown in gesprek gegaan met de coaches.” Het proces van selectie startte in oktober, toen de KNRB zekerheid had gekregen vanuit het NOC*NSF hoeveel subsidie de roeibond zou krijgen voor coachplaatsen.
Dat alles neemt echter niet weg dat het na welgeteld zes maanden nog steeds niet is gelukt om het coachteam te vervolledigen. René Mijnders “volgens mij ben ik vanaf één januari in dienst in mijn nieuwe functie” is echter opgelucht dat het coachteam nu toch vrij redelijk gevuld is. Hij is aangesteld als hoofdcoach voor de zware roeiers maar zal achter de schermen ook het lichte roeien in de gaten houden zolang daar nog geen hoofdcoach voor is gevonden. Hij moet er dus op toe zien dat dat John Faulkner geen rare dingen zal ondernemen met de groep van tien lichte roeiers waar hij mee aan de gang gaat. Op die manier wordt de uniformiteit van de structuur hoofdcoach bondscoaches die bij de andere secties aanwezig is gewaarborgd. Gezien het feit dat Faulkner de afgelopen jaren werkte in Denemarken, toch wel het meest vooraanstaande lichte roeiland in de wereld, zal Mijnders dat oogje in het zeil af en toe wel even dicht kunnen knijpen.
Tegelijkertijd zal Mijnders echter in zijn eigen groep zware roeiers en roeisters orde op zaken willen zetten voor een succesvolle koers richting Londen 2012. In een interview met de NOS tijdens de Heineken Roeivierkamp verklaarde de voormalig Orcaan al dat de roeibond de afgelopen tijd veel bezig was geweest met talenten. “Die hebben we nu ook gevonden; in ieder geval de mensen die de potentie hebben om in Londen 2012 voor vuurwerk te zorgen.”
Voordat Londen aanvangt zijn er nog er echter nog genoeg wereldkampioenschappen en wereldbekers te varen, waaronder ook dit jaar. De belangrijkste consequentie van het gebrek aan structuur bij de roeibond lijkt de achterstand die nu is opgelopen in de trainingsopbouw. Mijnders geeft ruiterlijk toe dat “normaliter voor een andere aanpak zou zijn gekozen in het traject naar het wereldbekerseizoen.” De focus ligt volgens de hoofdcoach nu nog vooral op krachttraining, omdat dit aspect van de trainingsarbeid het belangrijkste onderdeel vormt in de seizoenen 2009 en 2010. Helaas gaat deze focus op kracht ten koste van de hoeveelheid duurtraining. Vanaf Varese komt het accent meer op boottrainingen te liggen en gaat de krachttraining op een laag pitje. Mijnders haast zich daarbij te zeggen dat het geen slechte beslissing is om in Nederland meer aan krachttraining te doen. Uit analyse is gebleken dat de Nederlandse roeiers in vergelijking met andere roeilanden wat onderaan bengelen qua absoluut vermogen. Met een resoluter krachttrainingsprogramma hoopt de roeibond in 2012 een inhaalslag te hebben gemaakt.
Alles goed en wel natuurlijk, maar hoe zit het dan met het wereldbekerseizoen 2009? Gaat de Nederlandse equipe daar überhaupt wel scoren dan? “Het zou kunnen dat we wat later op gang komen, ja”, antwoordt Mijnders.
Met de beloofde professionalisering en de financieel ingewikkelde situatie bij de roeibond lijkt het er daarom op alsof er hoog spel wordt gespeeld. Hoewel van Nol uitlegt dat het NOC*NSF, een van de grootste geldschieters, een meerjarig financieringssysteem heeft op basis van afspraken over de te behalen doelstellingen, blijft het een precaire situatie. Achterstand op een structureel schema en onduidelijkheden over de te verwachten prestaties maken waarschijnlijk geen onderdeel uit van die afspraken. Het is dus zaak voor de KNRB om de losse eindjes zo snel mogelijk aan elkaar te knopen, al was het alleen maar om de goodwill van het NOC*NSF te behouden. Roeien is ook voor de nationale sportkoepel een dure sport, en de geldkraan is in veel gevallen erg makkelijk dicht te draaien.
Josy Verdonkschot, de man die voor Faulkner in beeld was bij de roeibond voor de functie hoofdcoach licht, weet maar al te goed hoe belangrijk de steun van het NOC*NSF kan zijn. De financiële bijdrage die de sportkoepel deed voor het lichte dubbeltwee-project van Kirsten van der Kolk en Marit van Eupen afgelopen jaar was essentieel voor het uiteindelijke succes. Dat Verdonkschot na de gouden medaille naar Italië vertrok was voor velen bovendien een verrassing. Misschien even verrassend als de trend van de roeibond om steeds meer buiten de Nederlandse grenzen op zoek te gaan naar competente coaching.
“Ik heb lang gewacht op antwoorden van de roeibond. Zelfs toen Italië in januari op mijn deur begon te kloppen heb ik hen afgehouden ik wilde liever in Nederland blijven. Eind januari 2009 heb ik toen de knoop doorgehakt omdat ik niet langer op de KNRB kon en wilde wachten”, vertelt Verdonkschot over de telefoon terwijl hij op het vliegtuig wacht in Rome. Hij heeft net een trainingskamp met 50 vrouwen achter de rug (“Leuk, maar vermoeiend”). “De uitdaging hier is om resultaten te boeken. In Italië worden eigenlijk altijd alleen maar medailles gewonnen door de mannenploegen.”
Die uitdaging om resultaten te boeken bestaat in Nederland uiteraard ook wel. Mijnders: “Voor dit jaar hebben we nog geen concrete doelstellingen in termen van aantal medailles o.i.d. Het voornaamste is dat de roeiers die nu in de selectie zitten beter worden.” Geen specifiek streven om een nieuwe Holland Acht te maken dus. Van Nol beaamt dit, maar in iets moeilijker woorden: “Het doel is om de noodzakelijke voorwaarden te creëren voor Londen 2012. Het programma staat in dienst van de individuele ontwikkeling en is daarop afgestemd. Dat betekent ook dat we de eerste tijd met individuele programmas de afzonderlijke roeiers beter willen maken. Daarna volgt pas de keuze voor nummers en ploegen. Voor dit seizoen zijn voornamelijk procesdoelstellingen geformuleerd, en zijn resultaten op bijvoorbeeld de World Cups en WK daaraan ondergeschikt.”
Het lijkt een paradox in Nederland, waar, als gezegd, de beste stuurlui (en coaches) aan wal staan en het verwachtingspatroon hoog is. Hoe is de nieuwe structuur immers te beoordelen als er niet verwacht wordt direct resultaten te boeken? Of is het toch een kwestie van afwachten en het geheel het voordeel van de twijfel gunnen? Verdonkschot ziet het allemaal vanaf de zijlijn aan, en slaakt een Cruyffiaanse wijsheid. “Eilandjes leiden niet tot succes.” Duidelijke taal: (in)polderen dus.


