Een maand geleden berichtte NLroei over welke verenigingen nu voorop lopen qua eerstejaars- en developmentklassementen. Nu de Universiade en WK onder 23 jaar achter ons liggen richten we ons op de vervolgstap. Welke studentenverenigingen leveren nou de meeste talenten af bij deze toernooien? En welke verenigingen doen het met hun roei(st)ers goed in de A-equipe? Hinne Paul Krolis houdt al jaren dit soort gegevens bij en zocht het voor ons uit.
Krolis was tot zo’n vijf jaar geleden actief als coach. Met name bij de junioren waar hij onder andere de coach was van Gerard van der Linden en Katie Steenman. Als liefhebber van statistiek hield hij veel gegevens bij en is daar de laatste jaren mee door gegaan. In zijn database hield hij onder andere bij hoeveel voormalig juniorroeiers wisten door te breken naar olympisch niveau en hoeveel er vanuit studentenverenigingen werden voortgebracht. “Naar aanleiding van jouw bericht op NLroei over welke verenigingen het goed deden in de klassementen ben ik voor roeiers in een volgende fase van hun roeiloopbaan per vereniging alles onder elkaar gaan zetten” zegt hij over het powerpoint-bestand wat bij dit artikel is bijgevoegd. “Het leek mij prikkelend om deze openbare gegevens op een andere manier te rangschikken. Men heeft het de laatste tijd vaak over RTC’s (Regionale TalentCentra, red.) maar in wezen is elke vereniging al een talentcentrum op zichzelf.”
Zijn eerste sheet laat het aantal talenten per vereniging zien dat dit jaar is uitgezonden naar de Wereldkampioenschappen onder 23 jaar en de Universiade. Dat is afgezet tegenover de aantallen die de verenigingen haalden in de laatste drie en laatste tien jaar. Opvallend is dat de verenigingen die het laatste decennium veel roeiers hebben uitgezonden naar deze toernooien (bij geen Universiade werd het FISU WK genomen) ook dit jaar komen bovendrijven. Nereus, Orca en Proteus-Eretes zijn de verenigingen die steeds goed vertegenwoordigd zijn. “Het leuke is dat je op deze manier kan zien dat het dus geen toeval is dat ze het goed doen” aldus Krolis. Vidar is dit jaar nieuwkomer in de top-4, iets dat met name komt door de Brabant Acht. Daarbij moet wel worden aangekaart dat dit jaar de uitzendeisen voor de Universiade vrij laag lagen, waardoor veel regionale ploegen die normaal gesproken de schifting vermoedelijk niet hadden overleefd, nu wel werden uitgezonden. Zo telt de Nereus Henley-acht die ruim sneller ging dan de Brabant Acht in deze statistiek dus niet mee. Ander opvallend feit is dat een grote vereniging als Skøll het juist erg matig doet op dit gebied. Iets wat in mindere mate ook geldt voor grote verenigingen met jarenlang drie eerstejaars achten als Aegir en Okeanos.
De tweede sheet is enkel gericht op roeiers die pas zijn begonnen op de specifieke studentenvereniging. De voormalig juniorroeiers worden hierbij buiten beschouwing gelaten, omdat zij hun (basis) roei-opleiding elders hebben geleerd. Hun aantal wordt gedeeld door het aantal eerstejaars wedstrijdroeiers om zo ook kleine verenigingen een kans te geven. Niet dat dat veel uithaalt want deze eindigen nog steeds onderaan. Wat opvalt is dat weer dezelfde vier verenigingen de dans leiden, waarbij Proteus en Orca duidelijk de besten zijn. Nereus zakt alleen opmerkelijk sterk. De vereniging moet het de laatste jaren vooral hebben van voormalig jeugdroeiers en dat wordt met deze cijfers duidelijk geïllustreerd. Het percentage roeiers uit eigen kweek wordt steeds kleiner. “In de laatste tien jaar waren er maar liefst 33 voormalig jeugdroeiers die als Nereïd debuteerden op een internationaal talentontwikkelingstoernooi tegenover achttien uit eigen kweek” aldus Krolis. Wederom staat Skøll onderaan de lijst. Interessant is ook het feit dat 1 op de 25 roeiers die als eerstejaars roeier beginnen met wedstrijdroeien uiteindelijk een toernooi als U23 of FISU WK haalt.
In de derde sheet valt simpelweg te zien hoeveel toppers verenigingen afleveren bij de A-equipe waarbij Krolis enkel heeft gekeken naar de olympische nummers. De enige conclusie die uit deze sheet te trekken is, is dat enkel Nereus zichzelf als hofleverancier van de roeibond mag beschouwen. Zij leveren dit jaar maar liefst elf roeiers in de equipe terwijl de eerstvolgende vereniging erna, Triton, er slechts drie afvaardigt. Maar liefst twaalf verenigingen leveren met elk twee of één roeier de rest. Opvallend is het lage aantal van Gyas en Laga, de verenigingen die het juist zo goed doen bij eerstejaars ploegen en middengroepen. De getallen in de kolommen ernaast (over drie en tien jaar) zijn overigens zoveel lager omdat daar gekeken is naar ‘unieke’ debutanten (ofwel aantal mensen, niet aantal deelnames per roeier) op een toernooi. Voor het werkelijke aantal moet je het vermenigvuldigen met respectievelijk drie en tien.
De laatste sheet waarbij wordt gekeken naar het aandeel talenten dat de laatste stap richting top heeft gezet, vindt Krolis enigszins discutabel. “Het is natuurlijk maar de vraag in hoeverre verenigingen daar een rol in spelen. Veel hangt waarschijnlijk af van het individuele talent, de motivatie, maar ook de coach die hij of zij heeft.” Feit is in elk geval dat hier andere verenigingen boven komen drijven. Skøll is opeens koploper, maar ook Triton en Okeanos doen het goed. Laga en Orca (en in mindere mate Proteus) staan hier juist laag genoteerd. Bij deze verenigingen die veel talenten voortbrengen, lukt het roeiers dus slecht uiteindelijk de top te halen. Omgevingsfactoren kunnen hierbij ook een rol spelen. In Delft zijn de studie-eisen relatief zwaar, waarbij bij twijfel wellicht eerder besloten wordt te stoppen. In Amsterdam en Utrecht zijn vermoedelijk ook iets meer gesjeesde studenten (en roeiers) te vinden. Krolis heeft ook nog uitgezocht in hoeverre het – om te top te halen – een voordeel is om in Amsterdam te wonen en roeien. Dit voordeel blijkt wel degelijk te bestaan, maar eigenlijk alleen als je bij Nereus roeit.
Eventuele fouten in data zijn de verantwoordelijkheid van Hinne Paul Krolis. Bij vragen mail: [e-mailadres verwijderd]
Bijlagen



