Voorafgaand aan de wereldbekerfinale in Luzern had Hessel Evertse al door laten schemeren dat bij de damessectie nog wat knopen moesten worden doorgehakt. Nu de rust is wedergekeerd op de Rotsee moet dus de balans opgemaakt worden. Wel of geen acht naar Korea? Wat wordt de prioriteitsboot bij het dames scullen? Heeft het, met het oog op de top vijf-ambitie, zin om een skiffeuze naar het WK in Chungju te sturen? En als je kijkt naar het hakken-over-de-sloot-brons van de vrouwen vier-zonder, moet je dan meedoen in een niet-olympisch nummer waar de tegenstand vaak van bedenkelijk niveau is?
“We sturen een skiff, een twee-zonder, een dubbelvier en een acht”, vertelt technisch directeur Hessel Evertse, die daaraan toevoegt dat er de komende tijd nog doorgepuzzeld gaat worden voor wat betreft de specifieke invulling van de boten, maar dat dubbelstarten in principe geen optie is. Helemaal garanderen kan hij dat echter niet. Evertse houdt bij het vrouwenroeien nog overduidelijk een slag om de arm. Zijn eigen oproep om keuzes te (durven) maken blijkt dus niet altijd opvolgbaar. “Bij de mannen zie je dat veel toppers na Londen zijn blijven hangen, waardoor je daar gelijk door kunt pakken richting de beoogde top-5 klassering. Bij de vrouwen zouden mensen als Carline [Bouw] en Claudia [Belderbos] dragende krachten moeten zijn, en die zijn nu net geblesseerd. Daardoor hang je dus op de grens tussen development en top in.”
Met andere woorden: omdat het nationale damesprogramma wat meer in opbouw is dan het mannenprogramma zijn de poppetjes daar wat minder definitief neer te zetten – en blijven er daardoor wat meer (achter)deuren open. Dat betekent overigens niet dat alles vaag blijft. De dubbeltwee, bijvoorbeeld, staat niet langer op het programma. Chantal Achterberg en Claudia Belderbos sloegen dit seizoen een traject in om in dat nummer door te breken, maar sinds het EK is de boot op de plank blijven liggen. En dat zal dus nog wel even blijven. Het betekent automatisch dat er voor Achterberg – achter Inge Janssen de tweede skiffeuze in Luzern – een oplossing moet worden gevonden.
Volgens Evertse is het de bedoeling om de komende te tijd uit te vogelen of Achterberg een versterking is voor de dubbelvier. Die ploeg is volgens de technisch directeur in een half jaar tijd uitgegroeid van een boot in ontwikkeling tot een volwaardige kanshebber op finale en medailles. Is het dan niet een idee om naast Achterberg ook Inge Janssen voor die ploeg in te schakelen? Evertse beaamt dat Janssen minder uitzicht heeft op een finaleplek tijdens het WK dan Roel Braas. “Maar van skiffen wordt niemand slechter. Sterker nog: dat zouden we eigenlijk met iedereen moeten doen. We kijken daarnaast dagelijks naar de opstelling van de ploegen, rekening houdend met de waan van de dag. Je moet niet denken dat je binnen een jaar met zevenmijlslaarzen naar de top doorstoomt. Drie medailles op de Spelen in 2016 zou een giga-stap zijn. Na [het WK in] Amsterdam gaan we echt prioriteren.”
“Onze visie op het nationaal roeiteam is dat we mensen hebben uitgenodigd die binnen drie/vier jaar een bijdrage kunnen leveren aan medailles”, gaat Evertse verder. “Na Amsterdam gaan we dat verlengen – kijken we uit naar 2017. Kijkend naar het WK van dit jaar verwachten we van de helft top vijf met mogelijkheden tot een medaille. In totaal geldt voor tachtig procent van de equipe een plek bij de top acht. Tien procent is onvoorzien, waarbij je moet denken aan blessures of plotselinge uitvallers, wat we afgelopen weekend ook hebben gezien. De laatste tien procent is ontwikkelen. Dat doen we nu door het sturen van een vrouwen acht en een paralympische ploeg.”
De vrouwen acht wordt nog een flinke puzzel. Hoewel Evertse een slag om de arm houdt wat betreft de definitieve opstelling heeft hij een aantal namen voor de vrouwenacht al laten doorschemeren. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal de ploeg bestaan uit de vier-zonder die in Luzern brons won, aangevuld met Kyra de Vries en, afhankelijk van de ontwikkelingen in de dubbelvier, twee of drie ‘nieuwe’ namen afkomstig uit het SB-circuit. Evertse noemde Janneke van der Meulen, in Luzern als invalster actief in de dames dubbelvier, ook als een van de mogelijkheden. De stuurvrouw van de ploeg is waarschijnlijk Jonna de Vries.
Laatstgenoemde was al mee naar Luzern om internationale ervaring op te doen, waarbij ze ook op gewicht moest zijn. Dat was onderdeel van een uitgebreid traject waarin De Vries werd klaargestoomd voor het echte werk – het WK in de acht – zodat ze niet in het diepe terecht zou komen. Hoewel dat idee prima te verkopen is – het aantal bondscoaches dat bewust bezig is met de begeleiding van stuurlieden is op één hand te tellen – is de keuze voor De Vries als opvolgster van Anne Schellekens vrij arbitrair geweest. Evertse laat echter weten dat het nog helemaal niet zeker is dat De Vries per definitie de stuurvrouw wordt. “We hebben zeven reacties gekregen na een oproep van Marit van Eupen voor vrouwelijke stuurlieden. Het is goed mogelijk dat daarvandaan iemand doorgroeit.”
De stuurvrouw van nu is dus niet noodzakelijkerwijs de stuurvrouw van de toekomst, een vraagstuk dat op vele gebieden van toepassing is. Evertse is continu aan het goochelen om korte termijn en lange termijn tot één geheel te smeden. Soms lijken ze elkaar te snijden – is het moeilijk te rijmen dat je enerzijds een prestatie-eis hebt, maar je sterkste roeisters over meerdere boten verdeeld zijn, of juist niet in de acht kruipen terwijl je ze wel nodig hebt voor een topklassering. Volgens Evertse gunt de KNRB zichzelf nu de ruimte om te ontwikkelen. Maar tegelijkertijd blijven de prestaties belangrijk. De vrouwen vier-zonder voldeed met het brons in Luzern aan de doelstelling, maar honderd procent overtuigend was het niet. “Mocht er onverhoopt toch geen vrouwen acht naar het WK gaan, dan blijft de vrouwen vier-zonder ook thuis”, besluit Evertse stellig.



