Een man of dertig had zaterdag de gang naar het hoge noorden gevonden om in een zaaltje van het Universitair Medisch Centrum Groningen aan te zitten bij het zesde Groninger coachcongres. Tijdens het Junioren WK in 2006 organiseerde de Groninger Roeibond voor het eerst een (toen twee dagen durend) congres, maar vijf jaar later blijkt het nog geen vast agendapunt voor de coaches van Nederland. Dat is ergens begrijpelijk – voor velen ligt Groningen niet naast de deur – maar aan de andere kant is het wel jammer. Het congres biedt een mooi podium voor discussie en de voordrachten zijn vaak interessant. Dit jaar stonden onder meer sprekers als wielercoach Jabik-Jan Bastiaans, Henk-Jan Zwolle en bondscoach development Jeroen Spaans op het programma.
Spaans, wiens verhaal uitleg verschafte over het talentontwikkelingsprogramma van de roeibond, gaf aan dat hij het jammer vond dat het Groninger Coachcongres nog uniek is in zijn soort. “Ik kijk heel positief tegen zo’n congres aan. Ik zou het wel mooi vinden als er meerdere coachcongressen waren, verspreid over het land en over het jaar. Ik denk ook dat de KNRB daar een rol in moet spelen. Je moet namelijk niet alleen denken aan talentontwikkeling van atleten, maar ook aan talentontwikkeling van coaches. Je kan wel willen dat atleten zich in het land ontwikkelen tot talent, maar dan moet je ook zorgen voor goede coaching.”
Goede coaching was ook het onderwerp van gesprek tijdens de presentatie van Henk-Jan Zwolle. De olympisch kampioen van Atlanta is als bewegingswetenschapper al jaren bezig met het inbrengen van een wetenschappelijke insteek in de begeleiding van roeiers, en vroeg zich in zijn verhaal hardop af hoe serieus coaches zichzelf en vooral hun roeiers nemen als ze zich niet bezig houden met metingen. “Als je iemand zes tot negen keer per week laat trainen is het eigenlijk onverantwoord dat je niet heel precies uitzoekt wat die sporter nodig heeft. Je moet duidelijk voor ogen hebben wat je aan het doen bent, dus moet je zoveel mogelijk meten.” Zwolle presenteerde een uitgebreid scala aan parameters die volgens hem in de gaten moesten worden gehouden: fysiologische zaken als hartslag, zuurstofopname, aëroob vermogen, anaeroob vermogen, maar ook aspecten als hoeveelheid slaap, hoe roeiers een individuele training beoordelen qua belasting en een sociaal dagboek komen aan de orde.
Voor een doodnormale huis-, tuin- en keukencoach die elke week meer dan veertig uur werkt en in zijn bescheiden vrije tijd een aantal roeiers begeleidt klinkt dat al gauw als hogere wiskunde. De vraag rijst dan ook of de oproep van Zwolle voor deze groep coaches niet te hoog gegrepen is.” Juist niet! Voor de gewone coach is het bijhouden van dit soort zaken al essentieel. Als jij je functie als coach serieus neemt, dan moet je dat gewoon doen.” Zwolle presenteerde naast zijn verhaal ook een hulpmiddel om al die parameters in de gaten te houden: het online hulpmiddel My Perfect Coach. De tijd zal leren of deze virtuele assistent zal aanslaan, maar dat Zwolle een stap in de goede richting zet lijkt duidelijk. In dit digitale tijdperk moet er meer mogelijk zijn dan een verfomfaaid schriftje met data.
Het verhaal van wielercoach Jabik-Jan Bastiaans, die als enige niet-roeier in de zaal het congres mocht openen, ging ook over ‘bewust coachen’. Bastiaans, die voor de Koninklijke Nederlandse Wieler Unie actief is binnen de talentontwikkeling en onder meer Robert Geesink op zag komen, betoogde onder meer dat het belangrijk is om keuzes te maken. Zelf bedenken wat je wil gaan doen en wat er nodig is, niet klakkeloos wat van anderen overnemen. Dat werd in de workshop van Titus Weischedé gelijk op de proef gesteld. De aanwezige coaches moesten een seizoen uitwerken waarin bepaalde doelen vooraf waren bepaald. Maar hoe dit vorm te geven? Het gevolg was veel dialoog, argumenten over en weer over de juiste aanpak en een uiteindelijke werkbare compromis. Een coachcongres is soms net echt coachen.
Jeroen Spaans vertelt over het Groninger coachcongres


