Hoe een sportief supertalent nooit de top haalde

Archief

Wolter Blankert is het schoolvoorbeeld van een topsporter. Zet hem op een racefiets, en hij finisht in de top 10 tijdens de Ronde van Curaçao. Trek hem hardloopschoenen aan, en hij rent de marathon in 2 uur en 41 minuten. Stop hem in een roeiboot, en hij komt mee met de besten. Een sportief supertalent. Maar toch is de lichte roeier van Skøll nooit uitgegroeid tot een vedette, nooit was hij goed genoeg voor de Olympische Spelen. Te aardig, te weinig zelfvertrouwen op cruciale punten. Hij lag misschien ook niet goed genoeg bij de bondscoaches om tot wasdom te komen. Maar topsport, zo zegt Blankert zelf, is keihard. “Dat betekent alleen niet dat je als roeibond je menselijkheid moet verliezen.”

Blankert is een icoon op zijn roeivereniging Skøll. Jarenlang trok hij – misschien ook wel onbewust – de kar voor met name de lichte sectie. Anno 2011 komt hij echter nauwelijks meer op de Jan Vroegopsingel. “Ik voel geen morele verplichting om me voor Skøll in te zetten”, legt Blankert uit. “Ik heb vanaf 1998 talloze commissies gedaan en ben nu voorzitter van Oud-Skøll. Ik ga in de toekomst ook zeker nog wel eens coachen, maar op het moment dat ik nu met een toeter aan de kant fiets gaat het gelijk kriebelen. Dan wil ik veel liever op het water zijn, zelf roeien. Maar zonder echte ambities. Ik zat laatst in de twee-zonder met Paul Drewes en dat liep als een trein, goed genoeg voor de NK-titel. Maar na twee baantjes op de Bosbaan dacht ik: ‘Ik kan het nog, prima.’ Meer hoeft niet voor mij.”

En juist dat ‘meer’ is wat roeifans steekt als het Wolter Blankert betreft. Toegegeven, hij is niet de perfecte roeier. Maar als hij wat beter begeleid was, op een manier die bij hem paste, had hij uit kunnen groeien tot een absolute topper. Iemand die anderen beter kon laten roeien. Hij was lang niet de slapste – zijn PR op de ergometer is 6:15. Hij was technisch begaafd, kon met vrijwel alle roeinummers uit de voeten. Sterker nog: als je terugkijkt op de laatste tien jaar in het landschap der lichte roeiers, dan is Blankert een van de weinige terugkerende hoofdpersonen. Gerard van der Linden roeide in de periode 2001 tot en met 2008 jaarlijks op het WK of de Olympische Spelen. Ivo Snijders, met uitzondering van 2005 en 2006, idem dito. Wolter Blankert is de derde en laatste naam. Maar anders dan zijn twee stadgenoten kwam de goedlachse Skøll-roeier nooit verder dan een figurantenrol aan boord van niet-Olympische nummers als de dubbelvier en de twee-zonder. Hij won er wel wereldbekermedailles mee. En die ene keer, in 2007, werd hij wereldkampioen aan boord van de lichte acht. Een project dat eigenlijk bij wijze van toeval was ontstaan, het gevolg van een slepende selectieprocedure voor de lichte vier-zonder en een plotseling presterende groep subtoppers.

Blankert was in de jaren 2007 en 2008 een van de acht kandidaten voor de Olympische roeiploeg. De andere gegadigden waren naast eerdergenoemde Van der Linden en Snijders ook Arnoud Greidanus, Alwin Snijders, Paul Drewes, Marshall Godschalk en Roeland Lievens. “Ik ben een roeier die goed gedijt bij een ontspannen sfeer, bij een ploeg die goed met elkaar kan opschieten en bij een coach die een rustige uitstraling heeft”, vertelt Blankert. “In 2005 en 2006 was dat zo, onder Jan Klerks. Met Susannah als coach kwam de nadruk veel meer op presteren en onderlinge concurrentie. Elke training was wel een test, zelfs als we aan het ED’en waren. Ik weet nog dat we tijdens een standaard training in Sevilla opeens van opstelling moesten wisselen, midden op het water. Toen realiseerde ik me pas echt goed dat ik me altijd, op elk moment moest bewijzen.”

Voor Blankert pakte deze aanpak niet goed uit. Hij werd door de trainingen sterker en mentaal keihard, dat zeker, maar hij raakte fysiek en emotioneel compleet uitgeput. Zelfs zodanig dat hij in het voorjaar van 2008, toen hij werd uitgeselecteerd voor de Olympische ploeg, geen grammetje ambitie meer over had voor een vervolgproject. Blankert was niet de enige die er doorheen zat. Ook de jongens die de vier-zonder wel gered hadden (Van der Linden, Snijders, Godschalk en Drewes) waren uitgeblust. Op hun tandvlees haalde het kwartet de Olympische finale om vervolgens op de zesde plaats over de streep te komen. Snijders stopte na Peking met roeien, Godschalk keerde terug naar zijn tweede thuisland de Verenigde Staten, Van der Linden begon een vruchteloos avontuur in het zware roeien en Drewes, de enige die verderging als lichtgewicht, bleek in de loop van het seizoen 2008/2009 zodanig overtraind dat hij ruim een jaar lang moest recupereren. Topsport eist soms een (te) zware tol.

Maar rancune over zijn carrière, in het bijzonder over die twee zware jaren voorafgaand aan de Spelen, is wel het laatste waar Blankert mee zal schermen. “Wat me wel altijd heeft verwonderd is de manier waarop het soms gaat binnen de KNRB. Heel erg gesloten, er heerst vaak wantrouwen tussen de verschillende kaders. Ik denk dat het een hoop zou schelen als ze toegaven dat ze klootzakken zullen zijn. Niet op een negatieve manier, maar gewoon om te waarschuwen dat topsport hard is. De KNRB is er om resultaten te boeken en volgens mij bereik je dat door roeiers beter te maken. Maar als je dat wil doen met een vervaging van het menselijke karakter van het proces dan zou het ze sieren als dat van tevoren even werd aangegeven.”

Het is een mooie zondagmiddag. Te zonnig en onbewolkt om melancholisch te zijn. En de vrolijke schittering in de ogen van Blankert als hij praat over de bijzondere momenten van zijn carrière helpt in het geloof dat hij met veel plezier op zijn roeitijd terugkijkt. Het eeuwig terugkerende afzweten in een badkuip met heet water, de krachttrainingen met Dylan van der Linde, het Rondje IJsselmeer (“wat toch echt weer gewonnen moet worden door Skøll”). Een brede glimlach. En dan: “Wie weet moet ik weer gaan roeien.”