Rosenquist Nederlander in Zweedse ploeg

Archief

Hij heeft een echte Zweedse naam, bezit een Zweedse paspoort en hij roeit in de Zweedse nationale ploeg. Maar een Zweed is hij niet. Paul Rosenquist is een Nederlander, een 31-jarige Hagenaar die misschien ooit voor Nederland zal roeien. Zijn Zweedse naam heeft hij van zijn voorouders, eeuwen geleden. Het Zweedse paspoort kreeg hij nadat hij drie jaar in Zweden woonde met zijn Zweedse vriendin Louise en hij de Zweedse nationaliteit mocht aanvragen. International worden voor de Zweedse roeiploeg werd hij door noeste zelfwerkzaamheid en toevallige ontmoetingen met de juiste mensen op de juiste plaats. Paul Rosenquist is een sportdier met een verlate roeping voor roeien. Op de Bosbaan boekte hij zijn eerste internationale succes. Derde in de troostfinale skiff open klasse, 9e in het eindklassement van de Amsterdamse World Cup.

Paul Rosenquist begon zijn sportieve carrière, toen hij op de Hotelschool in Scheveningen zat, als rugbyer bij HRC. ‘Hobbelen achter een ei op knollenveldjes in Nederland’, noemt hij het achteraf. ‘Maar rugby is wel mijn lievelingsteamsport gebleven. Hoewel, toproeien in een acht moet ook fantastisch zijn.’

Toproeien in een acht heeft hij nog nooit gedaan. Zweden, rijk aan ijshockeyers en golfers, bezit eenvoudig niet genoeg roeiers om een evenwichtige acht samen te stellen. Toen in het ruwe rugby zijn schouder een keer goed uit de kom raakte, switchte Rosenquist van sport. Hij ging aan triatlon doen; de olympische afstand van 1500 meter zwemmen, 40 kilometer fietsen en 10 kilometer hardlopen. Omdat hij flink fanatiek was, werd hij er behoorlijk goed in. Rond 2000 was de Haagse kolos (1,87 m – 93 kg) net zo goed als de snelste vrouwen van Nederland die naar de Olympische Spelen van Sydney werden gezonden. Zo eindigde hij als derde in het nationale triatloncircuit, onder de eliteklasse.

In Nederland woonde Rosenquist al samen met zijn Zweedse vriendin Louise, die in Leiden studeerde. Toen zij daarmee klaar was, vroeg zij haar concubin of hij het ook in Zweden zou uithouden. ‘Dat was spannend. Ik wist het niet van tevoren. Niet meer dan één keer was ik eerder in Zweden geweest, op de bonnefooi naar Stockholm. Die vakantie vond ik het wel een prettig land.’

Hij ging zijn meisje achterna naar haar moederland en het beviel. Zweden bleek wel groter dan Nederland. ‘Voor de triatlon reisde ik naar Almere, Texel en Rotterdam. In Zweden waren de afstanden veel groter. Triatlon heb ik toen ingeruild voor een andere sport. Adventure Racing, heel populair in Scandinavië. Wedstrijden in teamverband spelen zich dicht in de natuur af. Zwemmen, lopen, klimmen, abseilen en dat over 600-700 kilometer. De grootste race is de High Coast Challenge over 700 kilometer. Niet meer dan 20 procent van de deelnemers komt over de finish. Met mijn team heb ik de finish gehaald. We eindigden laatste, maar we haalden het in 117 uur. Ik heb er 2,5 uur van geslapen. Een mooi avontuur.’ Een avontuur ging ook zijn vriendin Louise aan. Zij roeide rond Zweden toen zij geen baan meer had, 2370 kilometer tussen 11 juni en 7 augustus in shifts van 12 uur per dag in de boot. De marathon gaf zoveel publiciteit dat zij er een nieuwe baan aan overhield in de motivatiebusiness.

Pijn in de knieën bij het lopen door oneffen terrein bracht Paul Rosenquist bij het roeien. Eerst de ergometer. Omdat het Fitness Center een hoge prijs vroeg voor alle faciliteiten (‘Ik wilde alleen op de ergometer en verder niets’) kwam hij op een roeiclub terecht. Daar kon hij voor € 30 per maand zoveel en zo lang hij wilde trainen. ‘Ik deed elke dag 10.000 meter. Om mij heen zag ik roeiers op het water. Ik dacht, dat kan ik net zo goed doen. Een Nederlander kan per definitie roeien, en ik had dat wel eens in een sloep gedaan.’

Rosenquist kreeg van de roeiclub een beginnersboot en roeide gelijk 12 kilometer van het clubhuis weg. ‘Ik vond het geweldig. Die halen, alles wat je in je hebt erin leggen. Dat is iets.’ Met Pasen in 2003 raakte hij verslingerd aan roeien. Hij ging daarna elke dag het water op. Hij hoorde dat andere roeiers ook vertrokken naar een wedstrijdbaan buiten de stad. Ik ging daar kijken en zag dat het roeien er heel anders uitzag dan het gedoe van mijzelf. Een shockbelevenis was het, wat een lange klappen maakten die mannen. Henrik Nilsson, die in 1997 en ’98 voor Oxford aan The Boatrace meedeed, en voor Zweden deelnam aan de Olympische Spelen in Atlanta, had al aan mij gevraagd waar ik in hemelsnaam mee bezig was. Vanaf dat moment is hij mijn coach-consultant. Nilsson is de man die op de knoppen drukt.’

In zijn eerste langeafstandswedstrijd sloeg Rosenquist gelijk om. Hij startte opnieuw en eindigde toch nog als derde. In 2006 besloot hij voor de Zweedse nationale ploeg te gaan. Hij viseerde de dubbelvier en nam met de bondscoach deel aan een trainingskamp in Tsjechië. Rosenquist, 50 uur per week voor Point65 werkt met de verkoop van zeekajaks (800 per jaar), zag een groot niveauverschil in de ploeg. Hij roeide door een dubbeltwee, maar wendde zich tot de skiff omdat zijn ploeggenoten een andere instelling had en hij geen zekerheid had over hun serieusheid. ‘Liever de skiff, dan weet ik dat het serieus is. Alles wat ik erin stop, komt er ook uit. Ik zit nu nog maar vier seconden achter mijn grote concurrent Lassi Karonen. Ik wil zien hoe ver ik kan komen, ik hoop dat ik hem een keer versla, maar hij ruikt zijn kansen op de Olympische Spelen.’

Roeien voor Nederland heeft hij niet uitgesloten. Rosenquist heeft met bondscoach Jan Klerks gesproken. Scullen heeft geen prioriteitsploegen. ‘Jan wees mij op het developmentprogramma. Maar nu is mijn uitdaging nog hoever ik kan komen in de skiff voor Zweden.’