24 november 2017

Jeroen Spaans: ‘ploegen hebben leren racen’

Jeroen Spaans: ‘ploegen hebben leren racen’
De meisjes dubbelvier bij een training in Rotterdam. Foto: Ellen de Monchy.

“Het belangrijkste doel voor junioren is ervaring opdoen en leren racen. Daar zijn de ploegen aan toegekomen, dus wat dat betreft ben ik zeker niet ontevreden”, blikt bondscoach Jeroen Spaans van de juniorenmeisjes terug op de WK voor junioren.

Resultaat is het tweede doel voor Spaans. Er lagen vier meisjesploegen aan de start in Trakai, de dubbelvier was daarvan de enige finalist. “Afgaand op het resultaat hebben de roeiers uit de vier gedaan wat ze konden, finale varen was goed.” Maar dat was niet het droomscenario, geeft Spaans toe. “Ik had gehoopt op een finale van skiffeuse Isabel van Opzeeland en de dubbeltwee. Mijn droomscenario was drie finaleplaatsen.”

Finalewaardig
Isabel van Opzeeland skiffte naar de eerste plaats in de b-finale. “Als je die finale wint, bewijs je eigenlijk ook finalewaardig te zijn”, vindt Spaans. “Na haar bronzen medaille bij de EK wordt er meteen gehoopt dat ze weer iets zal winnen. Hoewel ik hoopte op een finaleplaats vind ik een zevende plek voor een zestienjarige zeker niet onverdienstelijk.”

Aanloop
De meisjesdubbeltwee eindigde als derde in de b-finale. “Ze hadden een lastige aanloop naar dit toernooi”, legt Spaans uit. “Boegroeister Ilse Feenstra had last van een blessure, waardoor zij minder tijd samen hebben geroeid dan gewenst. Dat maakte het mentaal zwaar voor ze. Naar die omstandigheden hebben zij een goed kampioenschap gevaren.” De vierzonder heeft volgens Spaans naar hun kunnen geroeid. Het kwartet sloot het toernooi af als hekkensluiter in de b-finale. “Ze lagen dicht bij het veld en hebben kunnen meevaren en dat was het doel”, besluit Spaans.

Data
Dit jaar is een plan ingezet om het juniorenroeien te stimuleren bij verenigingen. In september wordt dat geëvalueerd. “Er was duidelijkheid en structuur waaraan de roeiers zich konden houden. Dat vonden zij over het algemeen prettig, zij konden zich goed richten op het roeien zelf”, zegt Spaans. “Dit is overigens breder dan alleen junioren, we maken geen specifiek onderscheid meer in leeftijd.”

Informatie
In dat plan zijn belangrijke gegevens die de bondscoaches vragen aan atleten geregistreerd, op basis daarvan speelt de bond informatie terug die gebruikt kan worden in dagelijkse trainingen. “We hebben bijvoorbeeld een VO2-maxtest gedaan. Aan de hand van die data kunnen wij clubs en coaches voeden met handige informatie. Zo kunnen wij junioren een paar stappen verder helpen.” Aan de andere kant geven de geregistreerde gegevens ook een beeld van de ontwikkeling van roeiers op verschillende vlakken over langere termijn.

Verwachtingen
Het lastige bij junioren is volgens Spaans dat moeilijk te voorspellen is hoe zij zich gaan ontwikkelen. “Het is vergeleken bij sb-roeiers veel minder duidelijk wie er echt zou kunnen doorgroeien op de lange termijn. De ene junior traint al twee jaar drie keer in de week, terwijl een andere dezelfde resultaten boekt na vier jaar zeven maal per week trainen. In de sb-groep is er meer data over roeiers en er is een geschiedenis. Dat voorspelt veel beter de verwachtingen in een proces om toproeiers te ontwikkelen.”

Taak
De clubs steken zelf veel tijd en energie in de ontwikkeling van hun junioren. De bondscoaches halen belangrijke gegevens op over de roeiers. “De zuurstoftesten geven bijvoorbeeld goede informatie over hoe de kwaliteit van trainingen kan worden verbeterd”, aldus Spaans. “Voorzien in die informatie is onze taak. Daarnaast staan wij niet tegenover de coaches staan om naar roeiers te kijken, maar we staan ernaast en zijn samen verantwoordelijk voor de ontwikkeling. Als wij én de clubs er hun schouders onder zetten, levert altijd wat op voor de lange termijn.”