Er is ruimte voor mensen met kamprechtersambities
We naderen alweer het einde van de Week van de Scheidsrechter. Hoog tijd dus om als NLroei eens even te polsen bij de Nederlandse kamprechters hoe het er voor staat. Is de jongere generatie nog wel te porren voor het leiding geven aan wedstrijden, het controleren van de weegschaal en het aligneren van de boten? En is er ook wel ambitie binnen die gelederen? “Jazeker,” vertelt Jacomine Ravensbergen, afgelopen jaar actief op meerdere grote toernooien. “Het aantal kamprechters is Nederland is volgens mij zelfs groeiende en we hebben ook redelijk wat mensen met ambitie.”
En waarom ook niet, zo lijkt Ravensbergen te willen zeggen. Er is weinig mooiers dan je steentje bij kunnen dragen aan een wedstrijd, ook al ben je maar een klein radertje in een grote machine. “Het is echt anders om als toeschouwer bij een wedstrijd te zijn,” vertelt Ravensbergen. “Als kamprechter zit je er echt ‘in’. Die beleving bij topsporters is het mooiste wat er is. Toen ik bij de Olympische Spelen mocht kamprechteren was het fantastisch om de ontlading te zien bij alle Chinese hulpkrachten toen hun vrouwendubbelvier won. Je bent als kamprechter toch ook een onderdeel van die vreugde.”
Hoewel kamprechter spelen tijdens de Olympische Spelen niet voor iedereen weggelegd is, benadrukt Ravensbergen dat de stap omhoog, naar het internationale wereldje, helemaal niet zo groot meer is. “Ik denk dat we een aantal jaar geleden nog te gesloten waren als Nederlands kamprechterswereldje, maar inmiddels is dat heel anders. De kamprechterscommissie heeft een tweetal dingen aangepakt de laatste paar jaar. Ze zijn actief gaan rondvragen of mensen interesse hadden, en ze hebben ook de mogelijkheid geboden dat mensen zichzelf konden gaan aanmelden. Het is allemaal laagdrempeliger geworden.”
“Bovendien,” zo voegt Ravensbergen toe, “hebben we ook een exchange programma met Engeland, Duitsland, Italië, België en Zwitserland. Er is in die landen gewoon plek om internationale ervaring op te doen – ik denk dat heel weinig mensen zich dat realiseren. De Holland Beker is natuurlijk een mooie leerschool op internationaal gebied, maar het is wel op bekend terrein. Het wordt toch al wat anders als je jezelf opeens in het buitenland moet redden. Maar kom je dan in het FISA-circuit terecht, dan is de eerste wedstrijd die je mag meedraaien al een wereldbeker. Daar kom je toch al gauw de absolute wereldtop tegen, dus als beginnende kamprechter krijg je dan al veel verantwoordelijkheid.”
Maar de allermooiste wedstrijden zijn evenwel niet die toptoernooien. Aanwezig zijn bij een wereldbekerwedstrijd, een WK voor junioren of een Olympische Spelen is natuurlijk speciaal, maar als kamprechter hoef je daar relatief weinig te doen, legt Ravensbergen uit. Negen van de tien keer is het alleen maar goed opletten. In plaats daarvan zijn de Asopos Najaarswedstrijden en de schoolroeikampioenschappen een verademing. “Je hebt te maken met veel starts en je kan ze echt nog op weg helpen. De mate van positieve invloed die je kan uitoefenen bij dat soort toernooien is veel groter – dat geeft een heleboel voldoening.”
En er valt op zo’n moment natuurlijk ook genoeg te lachen. Bootjes die door de wind alle kanten op worden geblazen, spectaculaire snoeken. Je moet als kamprechter natuurlijk ook wat te genieten hebben. Alhoewel: volgens Ravensbergen gebeuren er ook genoeg grappige dingen tijdens de Olympische Spelen. “We hadden in Peking Chinese zwemmers die braaf het water in doken om wier van de boten te halen als roeiers dat wilden. Volgens mij was het de halve finale van de dubbeltwee toen Marit en Kirsten met een bos wier begonnen te zwaaien. Volgens mij zat daar ook een klein beetje toneelspel in, een stukje mentale oorlogsvoering. Ik kon er in ieder geval wel om lachen – dan ben je op het grootste toernooi ter wereld en is over alles nagedacht, en gebeuren er dat soort dingen.”


