Lichte vier geselecteerd - nu de reserves nog
De trials voor de lichte vier-zonder zijn definitief van de baan. Eerder deze maand was er nog sprake van dat er voor de lichte prioriteitsboot geracet zou worden, maar van dat plan is inmiddels afgeweken. Door de ijsvorming op de Bosbaan, waardoor varen de afgelopen tijd onmogelijk was, zouden de onderlinge wedstrijden pas op zijn vroegst halverwege maart kunnen worden gehouden. De komende tijd is de Nederlandse roei-equipe namelijk op trainingskamp naar Varese, Italië. En wachten tot na het trainingskamp vindt technisch wilde René Mijnders niet verstandig. Bovendien willen hij en bondscoaches John Faulkner en Antonio Maurogiovanni het trainingskamp besteden aan de vier-zonder, zonder bezig te hoeven zijn met races in de twee als ze thuiskomen. De enige vraag die nu dus open blijft staan is dus wie er reserve wordt. En daar hebben al drie van de vier potentiële roeiers voor bedankt.
“Vanaf het begin was het ons duidelijk dat het moeilijk zou worden ons in de vier te roeien”, vertelt Arnoud Greidanus. “Toen Joris en ik in Portugal te kennen gaven dat we ons op eigen gelegenheid wilden voorbereiden werden er al wat kanttekeningen bij de trial gezet. We moesten significant harder varen, en niet eenmalig. Bovendien zou er na een goed resultaat van ons worden gekeken of de andere ploeg niet toevallig slecht had gepresteerd.” De trials, zo concludeerde het tweetal, was niet veel meer dan een open doekje voor potentiële reserveroeiers. Maar Greidanus en Pijs wilden er desondanks wel voor gaan: een kans is een kans. Ze hoopten met een ultieme twee kilometer de coaching alsnog van hun potentie te overtuigen, of in ieder geval aan zichzelf te laten zien waar ze toe in staat waren.Zover is het evenwel niet gekomen. Het hoogste wat Greidanus en Pijs nu kunnen bereiken is het WK voor niet-olympische nummers, komende zomer in Plovdiv, Bulgarije. Dat is dan ook waar ze zich op richten. Onderweg daar naartoe willen ze graag de eerste wereldbeker starten. “En als de lichte vier-zonder daar niet goed presteert, dan staan we open voor selecties”, vertelt Greidanus. “Dat hebben we ook tegen René gezegd. De Holland Acht werd in 2008 ook daags voor het olympisch kwalificatietoernooi gewijzigd. En die werden uiteindelijk vierde op de Spelen. Maar een rol als reserve zie ik niet zitten.”
Zijn bootgenoot in de twee-zonder, Joris Pijs, is dezelfde mening toegedaan. Ook hij heeft weinig trek in een jaar volledig meetrainen met als beloning een hip kledingpakket, een bed buiten het olympische dorp en een plekje op de tribunes in Eton. “Ik denk dat het toch een deel van je drive weghaalt, als je daar rondloopt zonder te mogen starten. Dat idee kreeg ik in ieder geval nadat Reinder Lubbers als reserve mee was met de Holland Acht in Beijing.” Liever richt Pijs zich dan op het WK, op een relatief onbekommerd seizoen waarin hij niet rekening hoeft te houden met en mee hoeft te draaien in de mallemolen van de Olympische Spelen.
Joeri Bruschinski stapte al eerder uit het lichte traject, en hield ook nergens rekening meer mee. “Ik heb een leuke baan, waarbinnen ik gelukkig veel vrijheid heb gekregen om te trainen”, vertelt de 25-jarige roeier van Vidar. “Maar ik als ik geen kans maak op de olympische vier, dan ga ik ook niet alles opzij zetten. ’s Ochtends om acht uur trainen is prima. Verplicht om twee uur krachttrainen met de andere jongens is iets wat me dan te ver gaat voor enkel en alleen de reservepositie.” Volgens Bruschinski is het de bedoeling dat hij vanaf nu met Björn van den Ende gaat twee-zonderen. Laatstgenoemde is de enige roeier die geen probleem heeft met een rol als nummer vijf van de lichte vier. Maar hij moet wel blijven boordroeien. Met een roeier die ironisch genoeg als te licht wordt bevonden.
René Mijnders zit ondertussen met een probleem in zijn maag. Volgens eigen zeggen heeft de technisch directeur het liefst twee roeiers die als reserve fungeren. Voor het geval dat. Maar wie dan? Door de gang van zaken – een selectieprocedure die noch handig noch soepel is verlopen – heeft hij roeiers tegen zich in het harnas gejaagd. De drie teleurgestelde afhakers weten dat topsport hard is; het is zelfs het eerste waar ze mee aan komen zetten. Maar in die hardheid schuilt ook niet de problematiek. Als je op waarde geklopt wordt is dat weliswaar hard, maar ook fair. Het gaat juist om het onvoorspelbare karakter, de aanpassingen, het gedraai en de onzekerheden. En vooral de onduidelijkheid. Wolter Blankert zei het eerder ook al: de vervaging in het menselijke karakter die met het proces gepaard gaat. Die is hier wederom vergeten.
De trials voor de lichte vier-zonder zijn definitief van de baan. Eerder deze maand was er nog sprake van dat er voor de lichte prioriteitsboot geracet zou worden, maar van dat plan is inmiddels afgeweken. Door de ijsvorming op de Bosbaan, waardoor varen de afgelopen tijd onmogelijk was, zouden de onderlinge wedstrijden pas op zijn vroegst halverwege maart kunnen worden gehouden. De komende tijd is de Nederlandse roei-equipe namelijk op trainingskamp naar Varese, Italië. En wachten tot na het trainingskamp vindt technisch wilde René Mijnders niet verstandig. Bovendien willen hij en bondscoaches John Faulkner en Antonio Maurogiovanni het trainingskamp besteden aan de vier-zonder, zonder bezig te hoeven zijn met races in de twee als ze thuiskomen. De enige vraag die nu dus open blijft staan is dus wie er reserve wordt. En daar hebben al drie van de vier potentiële roeiers voor bedankt.“Vanaf het begin was het ons duidelijk dat het moeilijk zou worden ons in de vier te roeien”, vertelt Arnoud Greidanus. “Toen Joris en ik in Portugal te kennen gaven dat we ons op eigen gelegenheid wilden voorbereiden werden er al wat kanttekeningen bij de trial gezet. We moesten significant harder varen, en niet eenmalig. Bovendien zou er na een goed resultaat van ons worden gekeken of de andere ploeg niet toevallig slecht had gepresteerd.” De trials, zo concludeerde het tweetal, was niet veel meer dan een open doekje voor potentiële reserveroeiers. Maar Greidanus en Pijs wilden er desondanks wel voor gaan: een kans is een kans. Ze hoopten met een ultieme twee kilometer de coaching alsnog van hun potentie te overtuigen, of in ieder geval aan zichzelf te laten zien waar ze toe in staat waren.
Zover is het evenwel niet gekomen. Het hoogste wat Greidanus en Pijs nu kunnen bereiken is het WK voor niet-olympische nummers, komende zomer in Plovdiv, Bulgarije. Dat is dan ook waar ze zich op richten. Onderweg daar naartoe willen ze graag de eerste wereldbeker starten. “En als de lichte vier-zonder daar niet goed presteert, dan staan we open voor selecties”, vertelt Greidanus. “Dat hebben we ook tegen René gezegd. De Holland Acht werd in 2008 ook daags voor het olympisch kwalificatietoernooi gewijzigd. En die werden uiteindelijk vierde op de Spelen. Maar een rol als reserve zie ik niet zitten.”
Zijn bootgenoot in de twee-zonder, Joris Pijs, is dezelfde mening toegedaan. Ook hij heeft weinig trek in een jaar volledig meetrainen met als beloning een hip kledingpakket, een bed buiten het olympische dorp en een plekje op de tribunes in Eton. “Ik denk dat het toch een deel van je drive weghaalt, als je daar rondloopt zonder te mogen starten. Dat idee kreeg ik in ieder geval nadat Reinder Lubbers als reserve mee was met de Holland Acht in Beijing.” Liever richt Pijs zich dan op het WK, op een relatief onbekommerd seizoen waarin hij niet rekening hoeft te houden met en mee hoeft te draaien in de mallemolen van de Olympische Spelen.
Joeri Bruschinski stapte al eerder uit het lichte traject, en hield ook nergens rekening meer mee. “Ik heb een leuke baan, waarbinnen ik gelukkig veel vrijheid heb gekregen om te trainen”, vertelt de 25-jarige roeier van Vidar. “Maar ik als ik geen kans maak op de olympische vier, dan ga ik ook niet alles opzij zetten. ’s Ochtends om acht uur trainen is prima. Verplicht om twee uur krachttrainen met de andere jongens is iets wat me dan te ver gaat voor enkel en alleen de reservepositie.” Volgens Bruschinski is het de bedoeling dat hij vanaf nu met Björn van den Ende gaat twee-zonderen. Laatstgenoemde is de enige roeier die geen probleem heeft met een rol als nummer vijf van de lichte vier. Maar hij moet wel blijven boordroeien. Met een roeier die ironisch genoeg als te licht wordt bevonden.
René Mijnders zit ondertussen met een probleem in zijn maag. Volgens eigen zeggen heeft de technisch directeur het liefst twee roeiers die als reserve fungeren. Voor het geval dat. Maar wie dan? Door de gang van zaken – een selectieprocedure die noch handig noch soepel is verlopen – heeft hij roeiers tegen zich in het harnas gejaagd. De drie teleurgestelde afhakers weten dat topsport hard is; het is zelfs het eerste waar ze mee aan komen zetten. Maar in die hardheid schuilt ook niet de problematiek. Als je op waarde geklopt wordt is dat weliswaar hard, maar ook fair. Het gaat juist om het onvoorspelbare karakter, de aanpassingen, het gedraai en de onzekerheden. En vooral de onduidelijkheid. Wolter Blankert zei het eerder ook al: de vervaging in het menselijke karakter die met het proces gepaard gaat. Die is hier wederom vergeten.
Natuurlijk is er geen man overboord. Er zijn drie gevallenen, dat zeker, maar er is nog één roeier over die voor de plek als reserve gretig en hard traint. Eén reserve. Net als in 2004, toen Michiel van der Horst de stand-in was. Net als in 2008, toen Arnoud Greidanus vanaf de kant moest toekijken. Het hoeft allemaal geen probleem te zijn. Zeker niet als alles goed gaat en de lichte vier met Muda, Muda, Heijbrock en Lievens gewoon het OKT wint en vooraan vaart in Eton. Maar dit akkefietje rond de lichte selectie geeft aan dat we nog ver verwijderd zijn van die wenselijke situatie waar de KNRB graag van spreekt, die brede basis die voorkomt dat de olympische spoeling dunt wordt. Die basis blijft niet overeind als roeiers teleurgesteld worden in het proces.
Natuurlijk is er geen man overboord. Er zijn drie gevallenen, dat zeker, maar er is nog één roeier over die voor de plek als reserve gretig en hard traint. Eén reserve. Net als in 2004, toen Michiel van der Horst de stand-in was. Net als in 2008, toen Arnoud Greidanus vanaf de kant moest toekijken. Het hoeft allemaal geen probleem te zijn. Zeker niet als alles goed gaat en de lichte vier met Muda, Muda, Heijbrock en Lievens gewoon het OKT wint en vooraan vaart in Eton. Maar dit akkefietje rond de lichte selectie geeft aan dat we nog ver verwijderd zijn van die wenselijke situatie waar de KNRB graag van spreekt, die brede basis die voorkomt dat de olympische spoeling dunt wordt. Die basis blijft niet overeind als roeiers teleurgesteld worden in het proces.


