De kleine meisjes zijn volwassen geworden
Op deze grauwe donderdagmiddag ligt de Bosbaan er verlaten bij. Door de dooi is de roeibaan niet langer het terrein van zwierende en kirrende schaatsliefhebbers. De tijd van winterse vrolijkheid, van koek en zopie en de hoop op een Elfstedentocht lijkt weer lang geleden. Als voormalig topschaatsster heeft Maaike Head van het natuurijs genoten. Maar liever nog zag ze de Bosbaan ontdooid. In haar agenda staat namelijk een grote rode cirkel om de datum 20 mei. Over drie maanden moet zij, samen met haar bootgenoot van de nationale lichte dames dubbeltwee Rianne Sigmond, vooraan varen tijdens het Olympisch Kwalificatietoernooi (OKT). Met dit doel voor ogen is er geen tijd en ruimte voor gezellige schaatspartijen. Zeker niet nu het duo zoveel stappen heeft gezet. “We hebben nu echt het gevoel dat we volwassen roeiers zijn geworden”, zeggen beiden. Het vuur in hun ogen spreekt boekdelen. Laat in Luzern de rest maar komen.
Als Maaike Head aanschuift aan het tafeltje in Grand Café ‘De Bosbaan’ heeft ze net anderhalf uur op de fiets gezeten in het olympisch trainingscentrum. Ze verontschuldigt zich dat haar ploeggenoot Sigmond er nog niet is – die heeft wat last van haar elleboog en moest daarom langs de fysiotherapeut. Een wijs besluit: in het olympische jaar kan je maar beter geen risico’s nemen. “Maar in de boot heeft ze er gelukkig geen last van, alleen met ergometeren. Of we daarom continu op de fiets zitten? Nee, gelukkig niet. We zijn pas geleden nog naar Duitsland gereden om te gaan langlaufen, dat ging ook goed. Zo’n uitstapje is ook weer het voordeel van het trainen met z’n tweeën. We hebben elkaar lekker afgemat.”Na afloop van het WK in Bled waren Maaike Head en Rianne Sigmond openhartig naar de buitenwereld: ze wilden nooit meer een jaar zoals afgelopen seizoen. Geen onduidelijkheid meer vanuit de roeibond, geen vraagtekens bij de coaching, geen afwachtende houding bij henzelf en bovenal niet meer planloos trainen. “Als we het gingen doen, dan op onze manier”, zegt Head. “Daarom zijn we in oktober op Kirsten van der Kolk afgestapt en zij heeft ons een zetje gegeven in de goede richting. We moesten ons volgens haar afvragen waar we nu stonden, wat we wilden bereiken en wat daarvoor nodig was. Aan de hand daarvan hebben we geconcludeerd dat we het met alleen Jan Klerks als coach niet gingen redden. Jan is technisch gezien prima, maar af en toe moeten we mentaal geprikkeld worden. Dat gat vult Hans Lycklama nu gelukkig op. Hij is een echte terriër.”
Met Lycklama en Klerks als begeleiders is het duo nu dus aan de weg aan timmeren. En de vooruitzichten zijn goed. De roeisters van Skadi blaken van vertrouwen, voelen zich fit en hebben vooral veel zin in de confrontaties die op hen wachten. De weg naar de Olympische Spelen is de afgelopen drie jaar niet bepaald soepel verlopen, maar dat is volgens het tweetal ook niet zo vreemd. “Vanaf 2009 kwamen we in een trein terecht die al aan het voortdenderen was”, vertelt Head. “We werden ‘de opvolgsters van’ genoemd, omdat we redelijk presteerden. Maar op het niveau van Marit en Kirsten zaten we nog absoluut niet. Ik scullde drie maanden, Rianne net een jaar. De eerste keer dat we samen inwogen was tijdens de wereldbekerwedstrijd in Banyoles. Ik had geen idee wat ik moest doen. Achteraf gezien is dat veel te snel gegaan. Het was beter geweest om ons langzamer te brengen, bijvoorbeeld via wedstrijden als Duisburg en Essen. De verwachting was van alle kanten te hoog.”
Dat het binnen het lichte damesroeien in Nederland niet vanzelfsprekend ging is niet opzienbarend. Met Josy Verdonkschot verdween vrijwel alle kennis van het lichte vrouwenroeien naar Italië. Niemand binnen de roeibond had echt ervaring met het begeleiden van vrouwen van pak ‘m beet 57 kilo. Maar het avontuur lonkte; de locomotief floot en Head en Sigmond stapten aan boord. De treinrit bleek uiteindelijk een achtbaan. Drie seizoenen lang ging het op en neer. Veelbelovende resultaten werden afgewisseld met flinke tegenvallers. En de grote lijn? Die was ver te zoeken. Typerend was wellicht dat René Mijnders aan de vooravond van de B-finale in Bled op Head en Sigmond afstapte en zei dat hij ’er vertrouwen in had dat ze bij de eerste elf zouden finishen’. Dat de kwalificatie-eisen voor de lichte dames dubbeltwee al een tijdje waren aangepast en dat alleen de nummers één tot en met acht in aanmerking kwamen voor Londen was de technisch directeur kennelijk ontgaan.
De begeleiding vanuit de roeibond was met andere woorden wat onbeholpen. “Maar René heeft na het WK ook wel zijn excuses aangeboden voor de manier waarop het was gegaan”, zegt Sigmond, die inmiddels is aangeschoven. “Ik denk dat hij onder de indruk was toen we op een haar na kwalificatie misliepen. Hij heeft beloofd dat alles anders zou gaan dit seizoen. In eerste instantie hadden we daar een hard hoofd in – eerst zien dan geloven. Maar het gaat nu gelukkig een stuk beter.” En het feit dat het duo met een eigen plan is gekomen is daar een groot onderdeel van. Het tweetal wil er zeker van zijn dat ze er alles aan gedaan hebben. Het geloof in eigen kunnen is daarbij groot; als Sigmond in een vervolgzin begint met “mocht het niet genoeg zijn” valt Head haar gelijk in de rede. “We gaan het gewoon redden.”
En waarom ook niet? Het duo kijkt niet langer met open ogen naar buiten terwijl het landschap voorbij raast. In tegendeel: de blik is vooruit gericht en van passagiers zijn Head en Sigmond dit jaar opgeschoven naar een positie naast de machinist. De roeisters weten dat ze op basis van het afgelopen WK uitstekende papieren hebben. Ze werden negende, de eerste ploeg die buiten de olympische boot viel. Ze weten op wie ze moeten letten – Duitsland, Italië, Polen – en willen niks aan het toeval overlaten. Zodra het OKT weer ter sprake komt begint in twee paar ogen een vuurtje te branden. Tijdens de laatste vijfhonderd meter van het olympisch kwalificatietoernooi moeten zij voorop liggen. Niemand anders. “Die eerste vijftienhonderd meter hebben we inmiddels vaak genoeg voorop gelegen. Het gaat ons nu om dat laatste kwart”, lacht Sigmond.


