Nederland te onervaren voor olympische medailles
Een wet van Meden en Perzen zal het niet zijn, maar als je alle staatjes van Londen naast elkaar legt wordt duidelijk dat Nederland de nodige ervaring miste om medailles te winnen afgelopen zomer. Gemiddeld hebben de medaillewinnaars van 2012 allemaal minimaal 7,5 toernooien achter de rug, waar de Nederlanders bleven steken op 5,5 toernooien. Jeroen Spaans, die de gegevens voor de KNRB uitzocht, vindt het moeilijk om een definitieve conclusie te trekken. “Je kunt twee kanten op redeneren,” legt de bondscoach development uit. “Of we zijn ondanks ons gebrek aan ervaring bijzonder efficiënt, of we zijn door ons gebrek aan ervaring niet goed genoeg voor de absolute top.”
Hoe het ook zij: Nederland heeft een inhaalslag te maken. Roeiers uit het buitenland zijn gemiddeld 13 jaar bezig met hun sport voordat ze kunnen scoren op het hoogste podium dat onze sport te bieden heeft. “Onze atleten zullen eerder de leeftijd van dertig jaar bereiken voordat ze die dertien jaar roei-ervaring halen. Dat zegt veel over het juniorenroeien in Nederland: slechts 23 % van de atleten in Londen kwam voort uit het juniorenroeien. Dat is zowel een compliment aan de kwaliteit van het studentenroeien als een obstakel: als je als achttienjarige begint met roeien heb je gewoon een achterstand ten opzichte van atleten uit bijvoorbeeld Nieuw-Zeeland die overwegend uit het juniorencircuit komen – en dus meer ervaring hebben.”
Natuurlijk is ervaring niet alles. Een groot roeitalent kan immers met betrekkelijk weinig achtergrond tot een hoog niveau komen. Annemarieke van Rumpt roeide zich in drie jaar van competitieroeister naar een bronzen olympische medaille. Diederik Simon roeide in 1996 nog maar vier jaar toen hij in Atlanta goud won. “Maar de kunst is om juist niet op die bijzondere gevallen te rekenen,” vindt Spaans. “Je scoutingsbeleid kan nog zo goed zijn, je bent in zekere zin afhankelijk van toeval. Als iemand als Claudia Belderbos zich niet bij Orca had gemeld omdat ze na zwemmen eens iets anders wilde proberen had je haar nu niet in de vrouwenacht kunnen zetten. Kort gezegd is het zaak om zo veel mogelijk toevalsfactoren uit te schakelen.”
Impliciet doelt Spaans daarbij ook op de Nederlandse methode om in een olympisch jaar nog een aantal konijnen uit de hoge hoed te willen toveren. “Gewoon even een medaille winnen zit er sowieso nooit in, maar op het podium eindigen wordt wel steeds moeilijker,” legt Spaans uit. “De roeisport is continu aan het evolueren. De concurrentie is gegroeid: niet alleen hebben we nu te maken met bekende landen als Amerika, Duitsland, Engeland, Canada en Australië, maar komen er nu steeds meer goede prestaties uit andere landen. Kijk naar Zuid-Afrika, dat krijgt nu een enorme impuls door het winnen van de lichte vier-zonder. Letland heeft twee topskiffeurs die nog in het begin van hun carrière staan. Tsjechië, toch een relatief klein roeiland, is ook in steeds meer nummers vooraan te vinden. Als Nederland niet verder terug wil vallen moet er geschakeld worden.”
De cijfers van Spaans onderschrijven het onderbuikgevoel wat al langer aanwezig is binnen het Nederlandse roeien: er is meer structuur nodig zodat roeiers langer kunnen blijven doorgaan. Maar wat is de oplossing? Zit er nog veel rek in het juniorenroeien? Kunnen vanuit daar meer talenten worden opgeleid? Volgens Diederik de Boorder, samen met Rob Robbers verantwoordelijk voor het juniorenroeien de afgelopen zes jaar, is dat moeilijk. “Het moet natuurlijk altijd beter, laat ik dat voorop stellen,” legt de 43-jarige De Boorder uit, “maar we hebben in Nederland gewoon niet de luxe die de scholensystemen van Engeland en Australië wel hebben. De hoeveelheid junioren die daar begint is duizelingwekkend. Maar kijk tegelijk eens naar afgelopen WK: geen Engelse dubbelvier in de finale van het WK junioren. Geen Duitsland. En wij wel. Dat zegt ook dat kwantiteit niet heilg is.”
Volgens De Boorder zijn er de afgelopen tijd steeds meer junioren afgeleverd richting de subtop van Nederland, naar een toernooi als de wereldkampioenschappen voor roeiers onder 23 jaar. “Maar je moet je als roeibond niet blindstaren op de juniorengroep. Dat zou compleet onterecht zijn naar het studentenroeien: er komen daar elk jaar zo’n 4.000 roeiers binnen, dan zijn de 72 junioren die vijf keer per week trainen peanuts.” Om de Nederlandse roeiers en roeisters toch de jaren ervaring te bezorgen die nodig lijkt te zijn voor een medaille moet de carrière dus eerder verlengd dan vervroegd worden. Daar ligt volgens De Boorder en Spaans een grote verantwoordelijkheid voor de roeibond. Om de structuur zodanig in te richten dat de Nederlandse toproeiers niet alleen langer door willen gaan, maar vooral ook kunnen gaan.
Spaans geeft tot slot te kennen dat hij ook graag wil kijken naar de gegevens van eerdere Olympische Spelen. “Ik wil de statistieken van de Spelen van Atlanta en van Sydney net als die van Londen inzichtelijk maken. Dan kunnen we pas echt goed zien hoe de leeftijd en ervaring van Nederland zich over de jaren heen verhoudt tot de medaillewinnaars in de diverse disciplines. Deze lijst met gegevens is op zichzelf al veelzeggend, maar hoe meer statistieken hoe beter we weten waar een olympisch kampioen gemiddeld moet voldoen. Al krijg je op basis van cijfers natuurlijk niet automatisch een gouden medaille.”
| Categorie | OS | WK | WU23 | WK Junioren | |
|---|---|---|---|---|---|
| LM | Gemiddeld aantal deelnames | 0,8 | 5,2 | 1,7 | 0,8 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 50 % | 100 % | 83 % | 50 % | |
| HM | Gemiddeld aantal deelnames | 0,8 | 4,5 | 1,6 | 1,0 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 48 % | 95 % | 78 % | 60 % | |
| HW | Gemiddeld aantal deelnames | 0,8 | 4,3 | 1,1 | 0,5 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 58 % | 96 % | 58 % | 28 % | |
| LW | Gemiddeld aantal deelnames | 0,5 | 3,8 | 2,2 | 0,8 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 33 % | 100 % | 67 % | 50 % |
Tabel 1: Gemiddelde toernooi-ervaring medaillewinnaars Olympische Spelen Londen 2012.
| Categorie | OS | WK | WU23 | WK Junioren | |
|---|---|---|---|---|---|
| LM | Gemiddeld aantal deelnames | 0 | 4 | 3 | 0,75 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 0 % | 100 % | 100 % | 75 % | |
| HM | Gemiddeld aantal deelnames | 0,9 | 3,5 | 1,3 | 0,3 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 57 % | 100 % | 71 % | 21 % | |
| HW | Gemiddeld aantal deelnames | 0,4 | 3,2 | 0,8 | 0,1 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 30 % | 90 % | 50 % | 10 % | |
| LW | Gemiddeld aantal deelnames | 0 | 3 | 0 | 0 |
| Percentage atleten dat toernooi gevaren heeft | 0 % | 100 % | 0 % | 0 % |
Tabel 2: Gemiddelde toernooi-ervaring Nederlandse roeiers Olympische Spelen Londen 2012.


