Column | De rekening
Het is inmiddels zeven augustus. De boten liggen ingepakt en wel op de botenwagens bij Eton Dorney, de boeien zijn opnieuw over de baan gelegd en de kanoërs en kajakers zijn inmiddels heer en meester over het meer waar een aantal dagen terug nog roeitriomfen werden gevierd. Geen Andrew Triggs Hodge, Diederik Simon of Ekaterina Karsten, maar Tim Brabants, Adam van Koeverden en Josefa Idem zijn nu de helden van de dag. Het olympische roeitoernooi zit er definitief op. Over vier jaar kijken we nog een keer hoe goed iedereen was. En hoe goed Nederland dan is.
Dagelijks 25.000 toeschouwers op de tribunes. Bijna 5.000 extra mensen die langs de oevers van het meer een staanplaats hadden of een kleedje hadden uitgespreid. Een totaal van 550 roeiers en roeisters die meedoen. En Groot-Brittannië, het land met de meeste medailles na de veertien finales, kan trots zijn op de vier gouden, twee zilveren en drie bronzen plakken. Nederland, daarentegen, eindigt met slechts één keer brons. De drie andere finaleplekken, voor de lichte vier-zonder, de zware vier-zonder en de mannen acht, zijn een schrale troost: dit is het minste resultaat op de Olympische Spelen sinds 1992. Ook toen keerde Nederland met één medaille terug, het brons van Nico Rienks en Henk-Jan Zwolle.
Vooropgesteld: het ligt – als het goed is – niet aan de roeiers en roeisters zelf. Die conformeren zich aan een vooropgesteld plan, trainen zich een slag in de rondte en gaan er van uit dat de hoge heren en dames aan de top weten waar ze mee bezig zijn. Maar kennelijk is dat niet het geval. Want als dit het plan was, dan moeten we ons toch wel zorgen gaan maken. Jezelf verschuilen achter de wind en regen is een te makkelijke oplossing. Toevalligheden wil je te allen tijde voorkomen. En het weer is niet toevallig. Het feit wil dat we al lang wisten dat de wind en de regen een probleem konden zijn. Kan je jezelf daar niet ook tegen wapenen? Beducht zijn voor de invloed van het weer, zorgen dat je niet hoeft te groeien in een toernooi maar gewoon vanaf het eerste moment meedoet? Als je goed genoeg bent heb je immers nauwelijks spreekwoordelijke wind mee nodig.
Technisch directeur René Mijnders noemde de oogst zelf in een reactie “een mager resultaat”, hoewel hij vond dat er over de breedte goed gepresteerd was. Maar goede prestaties mag je verwachten op de Olympische Spelen. Het is het einddoel van vier jar hard werken. Je wil dan klaar zijn voor de concurrentie, niet nog moeten groeien naar een piek. De doelstelling, in februari van dit jaar nog hardop geuit door Mijnders op een persconferentie, is simpelweg niet gehaald. Drie medailles luidde de opdracht, maar we hebben er slechts één. We willen horen bij de top vijf van de wereld, maar vinden onszelf terug op plek vijftien.
Er is veel geld uitgetrokken de laatste paar jaren om trainingskampen te financieren in het buitenland, om buitenlandse toptrainers aan te trekken en om er voor te zorgen dat ook Nederland de professionaliseringsslag zou maken. Maar van de drie stokpaardjes van Mijnders is weinig terecht gekomen. De trainingskampen hebben – kennelijk – weinig extra rendement opgeleverd. De buitenlandse krachten hebben niet voor de injectie gezorgd waar op gehoopt was. Sterker nog: de Italiaanse coach Antonio Maurogiovanni werd daags voor de Spelen van de Holland Acht afgehaald. En de professionaliseringsslag? Die wordt in andere landen gemaakt. Denemarken heeft inmiddels meer dan alleen maar licht mannenroeien. In Zuid-Afrika zal door de gouden medaille van de lichte vier-zonder enorme populariteit ontstaan voor de roeisport. Er is, samenvattend, veel geld uitgegeven en weinig uit de hoge hoed gekomen. Als de roeibond een bedrijf was, zouden de aandeelhouders nu morren. Ze zouden de bestuurders aansprakelijk stellen.
Maar wie zijn de bestuurders van het schip dat het Nederlandse roeien heet? Primair de technisch directeur. René Mijnders was de afgelopen jaren verantwoordelijk voor het grote plaatje. Maar Mijnders is voornamelijk een fantastische coach, niet een begenadigd manager. De roeiers en roeisters zelf zeggen het ook: zodra René een weekje meefietst worden er stappen gezet. Dus waarom die bureaufunctie? Waarom wegkruipen achter papierwerk en bureaucratie in plaats van rondtrappen op de fiets? Daarmee komen we gelijk aan bij de andere hoofdverantwoordelijke: Maurits Hendriks. De technisch directeur van NOC*NSF is direct verantwoordelijk voor de resultaten binnen het roeien. Die sport zit in zijn portefeuille, als prestatiemanager van het roeien. Hendriks moet zich realiseren dat de afgelopen vier jaar uitwijzen dat Mijnders niet de juiste man op de plek van de technisch directeur is. Mijnders moet doen waar hij goed in is: coachen.
Het krankzinnige aan het verhaal is dat iedereen inziet dat er in Nederland verschrikkelijk veel potentie is. Coaches, buitenlandse toproeiers, journalisten: letterlijk iedereen kijkt me bewondering naar de Nederlandse atleten. Omwille van hun techniek, van de lengte van de roeiers, van de inmiddels indrukwekkende cijfers die ze op testen tevoorschijn toveren. Ze zijn jaloers. En wij? Wij zijn jaloers op hen. Op de manier waarop zij het wel voor elkaar weten te boksen en wij niet. De damesacht wint een mooie bronzen medaille, maar verliest de slag om het zilver waar die medaille vorig jaar nog binnen handbereik was.
We doen iets verkeerd. En als we het niet beter gaan doen, is de rekening over enkele jaren nog hoger. Misschien zelfs onbetaalbaar. We zijn bij deze gewaarschuwd – als we dat niet al waren.











